Terug naar de gids
AZTRENDEFRESNLRUITSQBSROKYDA

De Qoer'aan wijst de weg naar de wetenschap: Religie zorgt ervoor dat de wetenschap de juiste richting krijgt

Inhoud
  1. Inleiding
  2. Intelligent ontwerp, oftewel schepping
  3. Religie stimuleert de wetenschap
  4. Religie zorgt ervoor dat de wetenschap de juiste richting krijgt
  5. Religie en wetenschap zijn altijd met elkaar in overeenstemming
  6. De wetenschappelijke wonderen van de Qoer'aan
  7. Gelovige wetenschappers
  8. Gelovige wetenschappers uit het verleden
  9. Andere gelovige wetenschappers uit het verleden
  10. Gelovige wetenschappers van onze tijd
  11. Moslimgeleerden
  12. Andere gelovige wetenschappers van onze tijd
  13. Conclusie
  14. Noten

Wetenschap is het onderzoek van de materiële wereld waarin we leven door middel van experiment en waarneming. Bij dat onderzoek trekt de wetenschap natuurlijk conclusies op basis van en met inachtneming van de feiten die zij door experiment en waarneming verkrijgt. Toch zijn er op elk wetenschapsgebied bepaalde basisvoorwaarden die al vóór het onderzoek worden aanvaard. Al deze voorwaarden samen worden een “paradigma” genoemd.

Deze basisvoorwaarden bepalen de “richting” van het wetenschappelijk onderzoek dat zal worden verricht. De eerste stap in wetenschappelijk onderzoek is het opstellen van een “hypothese” (veronderstelling). Wetenschappers stellen over het onderwerp dat zij gaan onderzoeken eerst een bepaalde hypothese op. Daarna wordt deze hypothese aan de wetenschappelijke feiten getoetst. Als de uitgevoerde experimenten en waarnemingen de hypothese bevestigen, wordt de “hypothese” een “bewezen principe of wet” genoemd. Wordt de hypothese weerlegd, dan worden andere mogelijkheden getoetst en gaat het proces verder.

Als men goed kijkt, hangt het opstellen van de hypothese, de eerste fase van dit proces, samen met de volkomen verkeerde opvatting die wetenschappers aanhangen. Vanwege zo'n verkeerde opvatting kunnen wetenschappers bijvoorbeeld een hypothese opstellen als “materie heeft het vermogen zichzelf te ordenen, zonder enige bewuste ordening”. Daarna kunnen zij jarenlang uitgebreid onderzoek doen om deze hypothese te bevestigen. Maar materie heeft zo'n eigenschap niet, en dus zullen al deze inspanningen op een mislukking uitlopen. Als de wetenschappers sterk aan deze hypothese vasthouden, kan het onderzoek zelfs jaren, ja generaties lang doorgaan. Het resultaat is dan een enorm verlies aan tijd en middelen. Als zij daarentegen van het begin af uitgaan van de gedachte “materie kan zichzelf niet ordenen zonder enige bewuste ordening”, zal ook het wetenschappelijk onderzoek dat daarop is gebaseerd, zeer snel en nauwkeurig vorderen.

Zoals men kan zien, vereist dit aspect, namelijk het juist opstellen van de hypothese, een andere bron dan de wetenschappelijke bevindingen. Het is zeer belangrijk deze bron juist te bepalen, want zoals in het voorbeeld dat we zojuist gaven, kan een verkeerd gekozen bron ertoe leiden dat de wetenschappelijke wereld jaren, decennia en zelfs eeuwen verliest.

De bron die wordt gezocht, is juist de openbaring die Allah aan de mensen heeft doen toekomen. Allah is immers de Schepper van het heelal en van alle levende wezens, en daarom is de juiste en onbetwistbare kennis over deze onderwerpen de kennis die van Allah komt. Zo geeft Allah ons in de Qoer'aan belangrijke informatie over deze onderwerpen. De duidelijkste daarvan kunnen we als volgt opsommen:

Allah heeft het heelal uit het niets geschapen. Alles is met een doel geschapen. Als gevolg van deze waarheid bestaat er in de natuur en in het hele heelal geen chaos die door toevalligheden is ontstaan, maar een geschapen, volmaakte orde.

Alle eigenschappen van het materiële heelal, en vooral van de aarde waarop we leven, zijn zo geschapen dat ze geschikt zijn voor het menselijk leven. In de bewegingen van de sterren en planeten, in de vormen van het aardoppervlak en in de eigenschappen van het water of de atmosfeer ligt een bepaald doel dat het voor de mens mogelijk maakt te leven.

Alle soorten levende wezens zijn door Allah geschapen. Bovendien komt, zoals aan de hand van de honingbijen wordt meegedeeld, ook het gedrag van deze levende wezens tot stand door een bijzondere inspiratie die van Allah komt.

Dit zijn absolute waarheden die Allah ons door middel van de Qoer'aan heeft geleerd. Een wetenschapsopvatting die op deze waarheden is gebaseerd, zal ongetwijfeld zeer groot succes boeken en de mensheid op zeer nuttige wijze dienen. Daar zijn in de geschiedenis ook duidelijke voorbeelden van. De wetenschappelijke vooruitgang die in de negende en tiende eeuw in de islamitische wereld te zien was, werd juist mogelijk doordat de wetenschap op de hierboven opgesomde juiste grondslagen was gebouwd. Ook in het Westen waren alle vooraanstaande vertegenwoordigers van wetenschapsgebieden als natuurkunde, scheikunde, astronomie, biologie en paleontologie grote geleerden die in het bestaan van Allah geloofden en onderzoek deden met het doel Zijn schepping te bestuderen.

Einstein heeft het belang om bij het bepalen van de doelen van de mens op religieuze waarheden te steunen, als volgt verwoord:

“Het ware doel van de mens wordt door de religie bepaald. Maar over de vraag op welke middelen men moet steunen, heeft ook de wetenschap iets te zeggen. De wetenschap wordt gevormd en in bepaalde kaders gebracht door hen die de waarheid volledig willen leren kennen. Toch ligt aan de bron daarvan in grote mate de religie. Ik kan me geen wetenschapper voorstellen die geen diep geloof bezit.”6

Vanaf het midden van de negentiende eeuw werd de wetenschappelijke wereld echter van deze goddelijke grondslag verwijderd en kwam zij onder invloed van de materialistische filosofie.

Het materialisme is een denkwijze waarvan de geschiedenis teruggaat tot het oude Griekenland; het verdedigt het absolute bestaan van de materie en ontkent Allah.

Het materialisme heeft zijn beweringen stap voor stap aan de wetenschappelijke wereld opgedrongen, en vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw werd een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek gewijd aan het ondersteunen van deze beweringen. Met dat doel werden het “model van een oneindig heelal”, dat ervan uitgaat dat het heelal sinds de eeuwigheid bestaat, de evolutietheorie van Darwin, die stelt dat het leven door toevalligheden is ontstaan, de opvattingen van Freud, die stellen dat de menselijke geest uit de hersenen bestaat, en soortgelijke theorieën naar voren gebracht.

Maar als we vandaag terugkijken, zien we dat deze beweringen van het materialisme de wetenschap slechts tijdverlies hebben “opgeleverd”. Tientallen jaren lang hebben veel geleerden zich immers ingespannen om elk van deze beweringen te bewijzen, maar de resultaten die daaruit voortkwamen, toonden aan dat deze beweringen ongeldig waren. De ontdekkingen hebben precies zoals Allah in de Qoer'aan meedeelt, bewezen dat het heelal uit het niets is geschapen, dat het is geordend volgens een doel dat met het menselijk leven rekening houdt, en dat het onmogelijk is dat het leven door toevalligheden is ontstaan en een evolutie heeft doorgemaakt.

Laten we deze waarheden nu een voor een bekijken:

Wat de wetenschap verloor door de opvatting van de materialisten over een “oneindig heelal”

Tot het begin van de twintigste eeuw was de wijdverbreide opvatting in de door materialisten beheerste wetenschappelijke wereld dat het heelal oneindige afmetingen heeft, sinds de eeuwigheid bestaat en tot in de eeuwigheid zal blijven bestaan. Volgens dit geloof, dat het “statische heelalmodel” werd genoemd, had het heelal geen begin en geen einde en was het heelal het geheel van een onbegrensde hoeveelheid materie. Deze opvatting, die de grondslag van de materialistische filosofie vormt, ontkende ook dat het heelal geschapen is.

Een groot aantal wetenschappers die in het materialisme geloofden of onder invloed van deze filosofie stonden, namen het genoemde model van een “oneindig heelal” als uitgangspunt voor hun wetenschappelijke werk. Al het werk op het gebied van astronomie en natuurkunde was gebaseerd op de veronderstelling dat de materie sinds de eeuwigheid bestaat. Kortom, veel wetenschappers hebben zich lange jaren tevergeefs ingespannen. De wetenschap zou deze mythen namelijk al spoedig vernietigen.

De eerste die inzag dat het model van een oneindig heelal onjuist was en er een wetenschappelijk alternatief tegenover stelde, was de Belgische geleerde Georges Lemaître. Op basis van enkele berekeningen van de Russische geleerde Alexander Friedmann stelde Lemaître de theorie op dat het heelal in werkelijkheid een begin had en vanaf dat begin voortdurend uitdijt. Bovendien verklaarde hij dat de straling die van dat beginmoment was overgebleven, kon worden waargenomen.

Met de reusachtige telescoop die hij gebruikte, ontdekte Hubble dat de sterren zich voortdurend zowel van ons als van elkaar verwijderen.
Met de reusachtige telescoop die hij gebruikte, ontdekte Hubble dat de sterren zich voortdurend zowel van ons als van elkaar verwijderen.

Hier moet ook worden benadrukt dat Georges Lemaître tegelijk een geestelijke was. Lemaître geloofde van harte dat “Allah het heelal uit het niets heeft geschapen”. Hij benaderde de wetenschap dus vanuit een heel andere grondslag dan de materialisten.

De jaren daarna zouden aantonen dat de grondslag waarin Lemaître geloofde, juist was. Als eerste ontdekte de Amerikaanse astronoom Edwin Hubble met de reusachtige telescoop die hij gebruikte, dat de sterren zich voortdurend zowel van ons als van elkaar verwijderen. Als alles in het heelal zich van elkaar verwijdert, kon dat maar tot één conclusie leiden: het heelal dijde uit, en was dus niet onbeweeglijk, zoals de materialisten beweerden.

Dat het heelal niet statisch is, had Albert Einstein eigenlijk al eerder theoretisch berekend. Maar omdat de feiten die hij uit deze berekeningen verkreeg, niet strookten met het statische heelalmodel van die tijd, was hij niet verder op deze ontdekking ingegaan en had hij haar terzijde gelegd. Later noemde Einstein dit voorval “de grootste blunder van zijn carrière”.

De uitdijing van het heelal wees op nog een belangrijke waarheid: omdat het heelal uitdijt, bleek bij een terugblik in de tijd dat het heelal vanuit één enkel punt was begonnen uit te dijen. Uit de berekeningen werd duidelijk dat dit ene punt een volume van nul had. Het heelal zelf was ontstaan door de explosie van dit punt. Deze explosie werd de “Big Bang”, oftewel de “Oerknal”, genoemd.

De uitdrukking dat dit exploderende punt een volume van nul had, wordt eigenlijk theoretisch gebruikt. Want de uitdrukking “volume nul” betekent in feite “het niets”. Het heelal is dus uit het niets ontstaan. Om het zo juist mogelijk te zeggen: het is “uit het niets geschapen”.

De Big Bang-theorie toont de waarheid van de schepping uit het niets duidelijk aan. Maar om deze theorie aanvaard te krijgen, moesten er ook wetenschappelijke bewijzen voor worden gevonden. In 1948 stelde George Gamow dat, als het heelal door een grote explosie was ontstaan, er in het heelal, zoals ook Lemaître al eerder had gezegd, straling van deze explosie moest zijn overgebleven, en dat deze straling overal in het heelal in gelijke hoeveelheid aanwezig moest zijn.

Het bewijs waarvan Gamow zei dat het gevonden moest worden, werd binnen korte tijd ontdekt. In 1965 ontdekten twee onderzoekers, Arno Penzias en Robert Wilson, de overblijfselen van deze straling. Deze straling, die de “kosmische achtergrondstraling” werd genoemd, had haar oorsprong niet op aarde, maar was een straling die over het hele heelal verspreid was. Zo bleek dat de warmtegolf die lange tijd uit alle delen van het heelal in gelijke mate werd ontvangen, was overgebleven uit de eerste fasen van de Big Bang. Penzias en Wilson kregen voor deze ontdekking de Nobelprijs.

De COBE-satelliet vond binnen korte tijd de bewijzen voor de Big Bang-hypothese.
De COBE-satelliet vond binnen korte tijd de bewijzen voor de Big Bang-hypothese.

In 1989 stuurde het Amerikaanse nationale ruimtevaartcentrum NASA de kunstmaan “COBE” de ruimte in om de kosmische achtergrondstraling te onderzoeken. De gevoelige sensoren die in deze geavanceerde satelliet waren geplaatst, bevestigden de berekeningen van Penzias en Wilson binnen enkele minuten.

Dat met juist deze bewijzen werd aangetoond dat het heelal door Allah met de Big Bang uit het niets is geschapen, bracht de materialistische wetenschappers in grote verwarring. Want zij waren er getuige van hoe hun jarenlange werk, de ideeën die zij naar voren hadden gebracht en hun ongegronde theorieën een voor een ten onder gingen. De bekende atheïstische filosoof Antony Flew verwoordt zijn gedachten hierover als volgt:

“Men zegt dat bekentenis goed is voor de ziel. Ik zal ook een bekentenis doen: het Big Bang-model is voor een atheïst behoorlijk verontrustend. Want de wetenschap heeft een bewering bewezen die door religieuze bronnen wordt verdedigd: de bewering dat het heelal een begin heeft gehad. Ik geloof nog steeds in het atheïsme, maar ik moet toegeven dat het niet zo gemakkelijk en comfortabel is om het tegenover de Big Bang te verdedigen.”7 Zoals uit dit voorbeeld blijkt, willen sommige mensen die blindelings in het materialisme geloven, dit niet aanvaarden, hoeveel wetenschappelijke bewijzen ze ook voorgelegd krijgen. Zelfs als ze deze waarheid persoonlijk toegeven, kunnen ze hun gehechtheid aan het materialisme niet opgeven.

Toch hebben veel wetenschappers die ooit het bestaan van Allah ontkenden en een atheïstisch wereldbeeld aanhingen, vandaag aanvaard dat het heelal is geschapen door Allah, de Bezitter van oneindige macht. De Amerikaanse geleerde William Lane Craig, die bekend is om zijn werk over de Big Bang, zegt hierover bijvoorbeeld:

“In feite moet de Big Bang, volgens de wet ‘uit niets komt alleen niets voort’, een bovennatuurlijke oorzaak hebben. Omdat de singulariteit vóór de explosie de grens is waar alle begrippen van tijd en ruimte ophouden, is het onmogelijk dat de Big Bang een fysieke oorzaak heeft. Integendeel, de oorzaak van de Big Bang moet volledig buiten de grenzen van de fysieke ruimte en tijd liggen, volledig onafhankelijk zijn van het heelal en onvoorstelbaar machtig zijn. Bovendien moet deze oorzaak zelf een bewust wezen zijn dat een onafhankelijke wil bezit... De oorzaak van de oorsprong van het heelal is dan ook een Schepper Die het heelal op een bepaald tijdstip in het verleden puur door Zijn eigen wil heeft doen ontstaan.”8

Een belangrijke conclusie die de Big Bang-theorie ons laat zien, is, zoals we al eerder zeiden, dat een wetenschapsopvatting die op goddelijke kennis steunt, buitengewoon succesvol is in het ontsluieren van de geheimen van het heelal. Wetenschappers die op de materialistische filosofie steunden, brachten het model van een “oneindig heelal” naar voren, maar ondanks al hun inspanningen konden zij deze theorie niet onderbouwen. De Big Bang-theorie die Georges Lemaître op basis van religieuze bronnen opstelde, gaf daarentegen een impuls aan de ontwikkeling van de wetenschap en zorgde ervoor dat het werkelijke begin van het heelal werd begrepen. Als we naar de wetenschapsgeschiedenis van de twintigste eeuw kijken, zien we dat er op andere gebieden een soortgelijke situatie bestaat.

Wat de wetenschap verloor door de bewering “Er is geen orde in het heelal”

Zoals de materialisten verdedigden dat het heelal sinds de eeuwigheid bestaat, zo beweerden zij ook dat er in het heelal geen doel en geen orde is. Zij stelden dat alle orde, harmonie en afstemming in het heelal slechts het resultaat van toevalligheden zijn. Ook deze bewering, net als die van de vorige pagina's, beheerste vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw de wetenschappelijke wereld en stuurde het wetenschappelijke werk.

Om te kunnen aantonen dat er in het heelal geen orde is, werd bijvoorbeeld een hypothese naar voren gebracht die de “chaostheorie” heet. Zoals we op de vorige pagina's al aanstipten, werd in deze theorie beweerd dat uit chaos (wanorde) vanzelf orde zou ontstaan, en werd er ontelbaar veel wetenschappelijk werk verricht om deze bewering te ondersteunen. Wiskundige berekeningen, werk in de theoretische natuurkunde, natuurkundige experimenten en scheikundig onderzoek werden voortdurend voortgezet om een antwoord te krijgen op de vraag “hoe kan worden aangetoond dat het heelal het resultaat van chaos is?”

In werkelijkheid maakte elk nieuw onderzoek hun hypothesen over chaos en toeval nog ongeldiger en toonde het aan dat er in het heelal in feite een zeer grote orde bestaat. Vooral het onderzoek dat vanaf de jaren zestig werd verricht, laat zien dat alle natuurkundige wetmatigheden in het heelal zeer nauwkeurig op het menselijk leven zijn afgestemd. Naarmate het onderzoek werd voortgezet, werd een voor een aan het licht gebracht dat de wetten van de natuurkunde, scheikunde en biologie in het heelal, de fundamentele krachten zoals de zwaartekracht en het elektromagnetisme, en de structuur van de atomen en elementen precies zo zijn geordend als nodig is voor het menselijk leven.

Als we een complex systeem zien, begrijpen we meteen dat dit systeem is gemaakt door iemand met bewustzijn en verstand.
Als we een complex systeem zien, begrijpen we meteen dat dit systeem is gemaakt door iemand met bewustzijn en verstand.

Westerse wetenschappers noemen deze buitengewone orde vandaag het “antropisch principe” (Anthropic Principle). Dit principe houdt in essentie in dat elk detail in het heelal is geordend voor een doel dat met het menselijk leven rekening houdt.

Met deze conclusie is gebleken dat de suggestie die de materialistische filosofie aan de wetenschappelijke wereld heeft opgedrongen, namelijk “het heelal is een hoop materie zonder enig doel of enige betekenis, die door toevalligheden functioneert”, in werkelijkheid een sprookje is dat in strijd is met de wetenschap. De bekende moleculair bioloog Michael Denton geeft hierover in zijn boek “Nature's Destiny: How the Laws of Biology Reveal Purpose in the Universe” (De bestemming van de natuur: hoe de wetten van de biologie het doel in het heelal onthullen) het volgende commentaar:

“Het nieuwe beeld dat in de astronomie van de twintigste eeuw is ontstaan, oefent ernstige druk uit op een veronderstelling die in de afgelopen vier eeuwen in wetenschappelijke kringen algemeen werd aanvaard. Die veronderstelling is de gedachte dat het leven een toevallig en onbelangrijk verschijnsel is dat in het heelal is ontstaan... De bewijzen die door de moderne kosmologie en natuurkunde naar voren zijn gebracht, zijn in feite de bewijzen die de verdedigers van de natuurlijke theologie in de zeventiende eeuw zochten, maar vanwege het niveau van de wetenschap in die tijd niet konden vinden.”9

De in dit commentaar genoemde “verdedigers van de natuurlijke theologie” zijn religieuze wetenschappers die in de zeventiende en achttiende eeuw leefden en die zich ten doel stelden het atheïsme op grond van wetenschappelijke bewijzen te weerleggen en het bestaan van Allah te bewijzen. Maar zoals in het bovenstaande commentaar wordt gezegd, leidde het lage niveau van de wetenschap in die tijd ertoe dat er voor de waarheden die deze wetenschappers uiteenzetten, niet genoeg bewijzen konden worden aangevoerd, met als gevolg dat de materialistische ideologie in de negentiende eeuw de wetenschappelijke wereld ging beheersen. In werkelijkheid heeft de wetenschap van de twintigste eeuw dit proces omgekeerd en duidelijke bewijzen aan het licht gebracht die aantonen dat Allah het heelal heeft geschapen.

Wat hier echter belangrijk is om op te letten, is het tijdverlies dat het materialistische bijgeloof “er is geen doel en geen orde in het heelal” de wetenschappelijke wereld heeft bezorgd. Alle theorieën, formules, theoretisch-natuurkundige studies, wiskundige vergelijkingen enzovoort die naar voren werden gebracht om dit bijgeloof te ondersteunen, zijn stuk voor stuk vergeefs verspilde inspanningen. Zoals de racistische ideologie de Tweede Wereldoorlog aanwakkerde en de mensheid in een ramp stortte, zo heeft de materialistische ideologie de wetenschappelijke wereld voor niets in de duisternis gestort.

Als de wetenschappelijke wereld echter in plaats van de dwaling van het materialisme de waarheid dat Allah het heelal heeft geschapen, als grondslag had genomen, dan zou ook het wetenschappelijk onderzoek in overeenstemming met deze waarheid zijn verricht.

Wat de wetenschappelijke wereld verloor door de hopeloze pogingen om de evolutietheorie te bewijzen

Het duidelijkste voorbeeld van wetenschap die op verkeerde grondslagen is gebouwd, is te zien in de evolutietheorie van Darwin. Deze theorie, die 140 jaar geleden haar intrede deed in de wetenschappelijke wereld, is in werkelijkheid de grootste dwaling uit de hele wetenschapsgeschiedenis geweest.

De evolutietheorie beweert dat het leven door toevalligheden is ontstaan, als gevolg van het samenkomen van enkele levenloze stoffen. Volgens deze bewering zijn deze toevallig ontstane levende wezens, opnieuw door toevalligheden, geëvolueerd en in andere levende wezens veranderd. Al meer dan anderhalve eeuw wordt er grote moeite gedaan om dit scenario te bewijzen, maar de wetenschappelijke bewijzen werken altijd tegen de theorie in. Alle verkregen bewijzen tonen namelijk aan dat evolutie nooit heeft plaatsgevonden, dat het niet klopt dat levende wezens geleidelijk in elkaar zijn overgegaan, en dat alle soorten levende wezens afzonderlijk en zoals ze zijn, geschapen zijn.

Toch blijven de evolutionisten, ondanks al deze duidelijke bewijzen, ontelbare onderzoeken en experimenten uitvoeren om de evolutie te bewijzen, boekdelen vol onzin en leugens schrijven, instituten oprichten, conferenties houden en televisieprogramma's maken. Dat duizenden wetenschappers en enorme hoeveelheden geld en middelen worden verspild aan een bewering die niet waar is, is een groot verlies voor de mensheid. Als deze middelen in plaats van al deze schade op de juiste plaats waren ingezet, hadden er tot op heden op zeer nuttige wetenschapsgebieden zeer belangrijke stappen kunnen worden gezet en nauwkeurige resultaten kunnen worden bereikt.

Sommige wetenschappers en denkers zien in hoe groot een dwaling de evolutie is. De Britse journalist en denker Malcolm Muggeridge zegt hierover:

“Ik ben zelf gaan geloven dat de evolutietheorie een van de grootste onderwerpen van spot in de geschiedenisboeken van de toekomst zal worden. Toekomstige generaties zullen met verbazing kennisnemen van het feit dat zo'n ongegronde en vage hypothese met een ongelooflijke lichtgelovigheid werd aanvaard.”10

De Scandinavische geleerde Søren Løvtrup zegt in zijn boek “Darwinism: The Refutation of a Myth” (Darwinisme: de weerlegging van een mythe):

“Ik denk dat iedereen het als een zeer groot onheil zal beschouwen dat hele takken van de wetenschap afhankelijk zijn geworden van een verkeerde theorie. Dat is precies wat er in de biologie is gebeurd. Al lange tijd bespreken mensen het onderwerp evolutie met darwinistische begrippen, met begrippen als ‘aanpassing’, ‘selectiedruk’ of ‘natuurlijke selectie’. En vervolgens menen zij met deze discussies een bijdrage te hebben geleverd aan de verklaring van natuurverschijnselen. Maar in werkelijkheid leveren zij geen enkele bijdrage... Ik geloof dat de mythe van het darwinisme op een dag in de wetenschapsgeschiedenis zal worden erkend als het grootste bedrog.”11

Sommige evolutionistische wetenschappers voelen zelf ook aan dat de theorie die zij verdedigen, niet met de feiten overeenkomt, en maken zich over deze situatie zorgen. De evolutionistische wetenschapper Paul R. Ehrlich erkent, zij het indirect, de schade die het blinde geloof in de evolutietheorie de wetenschap berokkent, door in een interview in het tijdschrift “Science” te zeggen: “het vandaag de dag als dogma vereeuwigen van de evolutietheorie zal het geven van bevredigender verklaringen over de waarneembare wereld in de weg staan”12.

Laten we nu de strijd bekijken die werd gevoerd om de onwetenschappelijke beweringen van de evolutietheorie te ondersteunen, en die in werkelijkheid voor de wetenschap alleen tot verlies van tijd en middelen heeft geleid.

Wat de bewering “Levenloze materie kan

leven voortbrengen” de wetenschap heeft gekost

Wat is de oorsprong van het leven? Wat onderscheidt een vogel of een giraf van steen, water, aarde, kortom van levenloze materie?

Het antwoord op deze vraag wordt al sinds de oudheid gezocht. De opvattingen die hierover naar voren zijn gekomen, zijn terug te voeren op twee verschillende grondslagen. De eerste opvatting verdedigt dat er tussen levende wezens en levenloze materie een zeer dunne grens bestaat, dat deze grens gemakkelijk kan worden overschreden en dat levenloze materie vanzelf tot leven kan komen. Deze opvatting heet in de wetenschappelijke taal “abiogenese”.

De tweede opvatting aanvaardt daarentegen dat er tussen het leven en levenloze materie een grote en onoverbrugbare grens bestaat. Levenloze materie kan niet vanzelf tot leven komen, en elk levend wezen wordt alleen uit een ander levend wezen geboren. Deze opvatting, die wordt uitgedrukt met de zin “leven komt voort uit leven”, heet “biogenese”.

Het is opmerkelijk dat de gedachte van de “abiogenese” verband houdt met de materialistische filosofie, en de gedachte van de “biogenese” met religieuze bronnen. De materialistische filosofie heeft van oudsher steeds verdedigd dat levenloze materie tot leven kan komen. De denkers in het oude Griekenland geloofden dat eenvoudige levende wezens voortdurend uit levenloze materie werden geboren.

Daartegenover verklaren de goddelijke bronnen dat alleen Allah leven aan de materie geeft. In de verzen van de Qoer'aan staat:

“Voorwaar, Allah is het Die het zaad en de dadelpit doet ontkiemen en openbarsten; Hij brengt het levende voort uit het dode en het dode uit het levende. Dat is Allah! Hoe kunnen jullie dan (van Hem) worden afgewend?”

Soerah al-An'am, 95

“Aan Hem behoort de heerschappij over de hemelen en de aarde. Hij geeft leven en Hij doet sterven. Hij is tot alles in staat.”

Soerah al-Hadid, 2

In de middeleeuwen, toen de kennis van de mensen over de natuur zeer beperkt was, raakte het geloof in “abiogenese” door enkele verkeerde waarnemingen wijd verspreid. Mensen die zagen dat er maden kwamen in vlees dat in de open lucht was blijven liggen, dachten dat de maden “vanzelf” op het vlees waren ontstaan. Ook van de muizen in de graanschuren meenden zij dat ze vanzelf uit de hopen tarwe waren ontstaan. Dit geloof, dat bekendstaat als “spontane generatie” (Spontaneous generation), werd tot de zeventiende eeuw door brede lagen van de bevolking aanvaard.

Maar de experimenten van twee geleerden brachten het geloof in “spontane generatie” ten val. De eerste van hen was Francesco Redi. In de experimenten die hij in 1668 uitvoerde, bewees hij dat de maden die op het vlees verschenen, niet vanzelf ontstonden, maar uitkwamen uit eitjes die door vliegen waren gelegd. Tegenover deze situatie trokken de aanhangers van de gedachte van de “abiogenese” zich terug en beweerden zij dat niet grotere wezens zoals maden of kikkers, maar met het oog onzichtbare microben uit levenloze stoffen ontstonden. De discussie duurde tot wel twee eeuwen. Ten slotte bewees de Franse bioloog Louis Pasteur met een reeks experimenten dat ook microben onmogelijk uit levenloze materie kunnen ontstaan. Pasteur legde het resultaat dat hij had verkregen als volgt uit:

“Kan materie zichzelf organiseren?... Nee, de huidige kennis toont aan dat zelfs microscopisch kleine levende wezens niet ter wereld kunnen komen zonder levende ouders die op hen lijken.”13

Redi en Pasteur hadden een belangrijk kenmerk gemeen: beide geleerden geloofden in het bestaan van Allah en in het feit dat Hij alle levende wezens heeft geschapen. Dit geloof speelde ook een grote rol bij het inzicht dat de gedachte van de “abiogenese” onzinnig is. Terwijl wetenschappers die onder invloed van de materialistische filosofie stonden (evolutionisten zoals Darwin en Haeckel), de gedachte van de “abiogenese” hardnekkig verdedigden, onderkenden deze geleerden de waarheid van de “biogenese”, omdat zij de wetenschap vanuit de juiste grondslag benaderden.

De evolutionisten bleven zich echter tegen deze duidelijke waarheid verzetten. Hun blinde gehechtheid aan de materialistische filosofie stortte hen in een hopeloze strijd die een eeuw zou duren. Twee materialistische wetenschappers, Aleksandr Oparin en J. B. S. Haldane, brachten het begrip “chemische evolutie” naar voren. Volgens Oparin en Haldane vindt “abiogenese” niet binnen korte tijd plaats, maar zou ze over een lange tijdsperiode wel mogelijk kunnen zijn. In werkelijkheid werd deze bewering, die in strijd is met enkele fundamentele wetten, in de eerste plaats met de tweede wet van de thermodynamica, een zo uitzichtloze zaak dat ze de wetenschappelijke wereld tijdverlies bezorgde.

In deze periode probeerden veel wetenschappers experimenten uit te voeren die de bewering van chemische evolutie zouden onderbouwen, of deze bewering met nieuwe theorieën te ondersteunen. Reusachtige laboratoria, grote instituten en universiteiten werden gemobiliseerd om deze bewering te ondersteunen. Maar al deze inspanningen liepen op een mislukking uit.

Professor Klaus Dose, een bekende evolutionist en hoofd van het Instituut voor Biochemie van de Johannes Gutenberg-Universiteit, geeft als volgt toe dat alle pogingen om te bewijzen dat levenloze stoffen leven hebben voortgebracht, geen enkel resultaat hebben opgeleverd:

“Meer dan dertig jaar experimenten over de oorsprong van het leven op het gebied van chemische en moleculaire evolutie hebben, in plaats van een antwoord te vinden op de vraag naar de oorsprong van het leven, geleid tot een beter besef van hoe groot het probleem is. Op dit moment eindigen alle theorieën en experimenten op dit gebied ofwel in een doodlopende straat, ofwel in een bekentenis van onwetendheid.”14

Als de wetenschappelijke wereld niet in de ban was geraakt van het materialistische bijgeloof van de “abiogenese”, hadden al deze doelloze inspanningen onder de naam “chemische evolutie” misschien op nuttiger werk kunnen worden gericht. Als de wetenschappelijke wereld had gehandeld in het besef dat Allah het leven heeft geschapen en dat alleen onze Heer de macht bezit om leven te geven, had de verspilling van tijd, geld en mensen voorkomen kunnen worden. In dat geval had de wetenschap zich, in plaats van oude Griekse mythen te bewijzen, gericht op nieuwe ontdekkingen en onderzoek die de mensheid tot nut zouden zijn.

Vandaag heeft de wetenschappelijke wereld aangetoond dat levenloze stoffen zichzelf niet door toevalligheden kunnen ordenen en zich met andere levenloze stoffen kunnen verbinden om een volmaakte, buitengewoon complexe cel te vormen. Op dezelfde manier is het overduidelijk dat de miljoenen soorten levende wezens die we om ons heen zien, niet, zoals de evolutionisten beweren, uit toevallig samengekomen cellen kunnen zijn ontstaan. Het is duidelijk dat een bloem, een pauw, een tijger, een mier, kortom geen enkel levend wezen, is ontstaan door de wil van onbewuste cellen die zelf door het samenkomen van onbewuste atomen zijn gevormd.

Ook een wetenschapper die diepgaand onderzoek naar deze onderwerpen doet, is geen wezen dat is ontstaan doordat onbewuste atomen een besluit namen. Het lijdt geen enkele twijfel dat het onmogelijk is dat onbewuste atomen een uiterst bewust mens voortbrengen.

Zo is in de Qoer'aan al duizenden jaren geleden aangetoond dat Allah het leven uit het “niets” heeft geschapen, dat Allah Degene is Die leven geeft, en dat geen enkel ander wezen dan Hij de macht bezit om “leven te geven”.

Als de wetenschap zich had gebaseerd op deze waarheden die Allah aan de mensen heeft bekendgemaakt, had zij niet zo lang tijd verloren doordat de evolutionisten de tijd “verdreven” met vruchteloos onderzoek.

Het verlies dat de pogingen om de bewering van de “evolutie van de soorten” te bewijzen, de wetenschap hebben bezorgd

Op aarde leven miljoenen soorten levende wezens, en deze soorten verschillen in veel opzichten van elkaar. Paarden, vogels, slangen, vlinders, vissen, katten, vleermuizen, wormen, mieren, olifanten, muggen, bijen, dolfijnen, zeesterren, kwallen, kamelen... Tussen al deze levende wezens bestaan grote verschillen in hun lichamelijke kenmerken, de omgeving waarin ze leven, hun jachtmethoden, hun verdedigingstactieken, hun voedingsgewoonten, hun voortplanting, kortom in al hun eigenschappen.

“Allah heeft elk levend wezen uit water (zaad) geschapen. Sommigen van hen kruipen op hun buik, sommigen lopen op twee en sommigen op vier poten. Allah schept wat Hij wil. Voorwaar, Allah is tot alles in staat!”

Soerah an-Noer, 45

“Voorwaar, in de hemelen en op de aarde zijn tekenen voor de gelovigen! En in jullie schepping en in de levende wezens die Hij heeft verspreid, zijn tekenen voor mensen die met volle zekerheid geloven.” (Soerah al-Djathiya, 3-4).
“Voorwaar, in de hemelen en op de aarde zijn tekenen voor de gelovigen! En in jullie schepping en in de levende wezens die Hij heeft verspreid, zijn tekenen voor mensen die met volle zekerheid geloven.” (Soerah al-Djathiya, 3-4).

Hoe zijn deze levende wezens dan ontstaan?

Iedereen die met zijn verstand over deze vraag nadenkt, zal begrijpen dat alle levende wezens volmaakt geschapen zijn. Elk ontwerp wijst op het bestaan van de ontwerper die het heeft gemaakt. Net als alle andere voorbeelden van ontwerp in het heelal bewijzen ook de levende wezens het bestaan van Allah.

Deze waarheid is ons namelijk via de islam bekendgemaakt.

In de Qoer'aan heeft Allah ons uitgelegd hoe de levende wezens zijn ontstaan: onze Heer heeft alle soorten levende wezens afzonderlijk geschapen. Allah heeft met Zijn weergaloze ontwerp en Zijn oneindige kennis aan elk levend wezen heel verschillende eigenschappen gegeven en zo de mensen Zijn oneindige macht, Zijn verstand en Zijn kennis laten kennen. Enkele van de verzen over de schepping van de levende wezens luiden:

“Tot Zijn tekenen behoort de schepping van de hemelen en de aarde en van de levende wezens die Hij daarin heeft verspreid. En Hij is in staat hen bijeen te brengen wanneer Hij maar wil!”

Soerah asj-Sjoera, 29

“Allah heeft elk levend wezen uit water geschapen. Sommigen van hen kruipen op hun buik, sommigen lopen op twee en sommigen op vier poten. Allah schept wat Hij wil. Voorwaar, Allah is tot alles in staat!”

Soerah an-Noer, 45

“Allah heeft de hemelen geschapen zonder zuilen die jullie kunnen zien, Hij heeft op de aarde vaststaande bergen geplaatst opdat zij niet met jullie zou wankelen, en Hij heeft er allerlei dieren over verspreid. Wij hebben regen uit de hemel laten neerdalen en op de aarde allerlei prachtige soorten planten laten groeien. Dit is de schepping van Allah. Laat Mij nu eens zien wat anderen dan Hij hebben geschapen. Nee, de onrechtplegers verkeren in duidelijke dwaling.”

Soerah Loeqman, 10-11

Carl Linnaeus, die geloofde dat alle levende wezens door Allah zijn geschapen, was de eerste die de levende wezens onderzocht door ze in te delen, en werd zo de grondlegger van dit systeem.
Carl Linnaeus, die geloofde dat alle levende wezens door Allah zijn geschapen, was de eerste die de levende wezens onderzocht door ze in te delen, en werd zo de grondlegger van dit systeem.

Deze waarheid van de schepping heeft wetenschappers geholpen bij het ontstaan van wetenschapsgebieden als biologie, anatomie en paleontologie. Grote geleerden zoals Carl Linnaeus, die als eerste de levende wezens in klassen onderzocht en bekendstaat als “de grondlegger van de systematiek”, Georges Cuvier, de grondlegger van de fossielkunde en de vergelijkende anatomie, Gregor Mendel, die de wetten van de erfelijkheid ontdekte en de basis legde voor de genetica, of Louis Agassiz, die wordt beschouwd als “de grootste bioloog van het negentiende-eeuwse Amerika”, beoefenden de wetenschap in het besef dat Allah alle soorten levende wezens heeft geschapen.

Maar met de aanvaarding van de evolutietheorie die Charles Darwin naar voren bracht, begon de wetenschappelijke wereld pogingen te ondernemen “om te bewijzen dat de soorten door evolutie uit elkaar zijn ontstaan”. Deze poging bracht de wetenschappers tot veel vruchteloos onderzoek. Bij fossielopgravingen over de hele wereld begon men te zoeken naar fossielen van overgangsvormen die in werkelijkheid nooit hebben bestaan. Er werden denkbeeldige scenario's bedacht over hoe de soorten door evolutie uit elkaar zouden zijn ontstaan. Deze scenario's kregen een plaats in wetenschappelijke tijdschriften en werden op scholen als lesstof aan jongeren onderwezen.

Om beter te begrijpen dat de evolutionisten hun wetenschap voor loze fantasieën gebruiken, is het goed enkele voorbeelden van deze scenario's te geven. Zo vertelt een evolutionistische bron het volgende verhaal over de verandering van reptielen in zoogdieren:

Sommige reptielen die in koude gebieden leefden, ontwikkelden een methode om hun lichaam te verwarmen... Hun schubben werden steeds puntiger en veranderden in haren. Een andere aanpassing die op dat moment plaatsvond, was het ontstaan van het zweten: dit stelde het dier in staat om, wanneer nodig, zijn lichaam door het verdampen van water af te koelen. Op een gegeven moment begonnen sommige jongen onverwacht het zweet op het lichaam van hun moeder te likken om zich te voeden. Sommige zweetklieren begonnen daardoor steeds meer zweet af te scheiden en deze afscheiding veranderde ten slotte in melk. Zo kregen de jongen van deze eerste zoogdieren een betere start in het leven.15

Om de juistheid van deze evolutionistische bewering te bewijzen, moesten “onmogelijke” gebeurtenissen, zoals de verandering van zweet in melk en van schubben in haren, wetenschappelijk worden bewezen, en ook deze keer hebben duizenden wetenschappers hun tijd aan dit verhaal besteed. In werkelijkheid is geen van deze veranderingen mogelijk. Om te beginnen kan moedermelk, die alles bevat wat een baby nodig heeft, niet ontstaan door de evolutie van “zweet”, zoals in de bovenstaande bewering. Moedermelk is immers een stof die speciaal op de behoeften van de baby is afgestemd en in elke fase volgens een bepaalde planning wordt geregeld. Elke stof die een baby nodig heeft, wordt precies op het moment dat ze nodig is in de moedermelk gevormd. Op de dag dat de baby bijvoorbeeld kalium nodig heeft, bevat de moedermelk een grote hoeveelheid kalium. Zo'n regeling geldt ook voor alle andere stoffen die de baby voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Het is duidelijk dat zo'n wonderbaarlijk voedingsmiddel onmogelijk door onbewuste toevalligheden kan ontstaan.

Op dezelfde manier is ook het andere deel van de bovenstaande bewering, het verhaal over “de verandering van de schubben van reptielen in de haren van zoogdieren door evolutie”, in strijd met de wetenschappelijke feiten. Schubben en haren hebben een totaal verschillende structuur:

1- Haren hebben een folliculaire structuur, dat wil zeggen dat ze in een zakje groeien. Schubben zijn daarentegen lagen in de huid. Bovendien verschillen de fasen van ontwikkeling, groei en afstoting van schubben van die van haren; in deze opzichten lijken ze helemaal niet op elkaar.

2- Er is geen enkel bewijs dat haren door evolutie uit schubben zijn ontstaan. Er zijn geen fossielen die deze bewering van de evolutionisten staven, en er is evenmin een logisch mechanisme dat zij zouden kunnen aanvoeren.

Dit is niet het enige onwetenschappelijke “verhaal” dat over de denkbeeldige verandering van reptielen in zoogdieren naar voren is gebracht. Elke evolutionist heeft zijn eigen “verhaal”. Op soortgelijke wijze zijn er ook veel denkbeeldige scenario's bedacht over de evolutie van dinosaurussen tot vogels. In een van deze scenario's wordt verteld dat dinosaurussen begonnen te vliegen terwijl ze op muggen joegen. Een ander scenario stelt dat dinosaurussen hun vleugels uitsloegen en gingen vliegen terwijl ze van boom naar boom sprongen. De taak om deze scenario's, die elke evolutionist dankzij zijn verbeeldingskracht verzint, te “bewijzen”, komt echter op de wetenschap neer. Tot op heden hebben veel wetenschappers onderzocht hoe dinosaurussen al rennend of springend van tak naar tak zouden kunnen vliegen, en hebben zij jaren besteed aan pogingen om te bewijzen hoe schubben in veren veranderden. De bekende evolutionist en ornitholoog Alan Feduccia is een van de evolutionistische geleerden die jaren tevergeefs aan dit onderwerp hebben besteed. Feduccia, die 25 jaar wijdde aan het onderzoek naar de vraag of er een verband bestaat tussen dinosaurussen en vogels, deed aan het eind van zijn werk de volgende bekentenis:

“Ik heb 25 jaar lang de schedels van vogels bestudeerd en geen enkele overeenkomst met dinosaurussen gevonden. De theorie dat vogels door evolutie uit viervoeters zijn ontstaan, zal de grootste schande van de twintigste eeuw op het gebied van de paleontologie zijn.”16

Vogelveren hebben een structuur die totaal verschilt van de schubben van reptielen en zijn geschapen met uiterst complexe eigenschappen die vogels helpen te vliegen.
Vogelveren hebben een structuur die totaal verschilt van de schubben van reptielen en zijn geschapen met uiterst complexe eigenschappen die vogels helpen te vliegen.

De evolutiescenario's houden hier niet op. Zoals ook de evolutionistische paleontoloog dr. Colin Patterson toegeeft: “Er zijn veel hopeloze verhalen over de aard van het leven, het ene nog fantasievoller dan het andere.”17 De evolutionisten hebben ook een fantastisch idee naar voren gebracht, namelijk dat zeezoogdieren zoals walvissen en dolfijnen zijn ontstaan door de evolutie van beren die graag de zee in gingen. Om voor dit scenario een basis te vinden, stelden zij theorieën op over wezens die half beer, half walvis waren, en schreven zij verhalen over “lopende walvissen”.

Natuurlijk kunnen de evolutionisten fantaseren zoals ze willen en in de scenario's geloven die ze willen. Het punt is echter dat zij de middelen en de tijd van de wetenschap tevergeefs hebben verspild om deze scenario's te “bewijzen”. Zoals een andere bekende evolutionistische geleerde, Pierre-Paul Grassé, over de evolutiescenario's zei: “er is geen wet die dagdromen verbiedt, maar de wetenschap mag zich daar niet mee inlaten.”18

Zolang de wetenschap wordt gebruikt voor hypothesen met een verkeerde grondslag zoals het darwinisme, zal zij achter zulke sprookjes blijven aanlopen. Als de waarheid van de schepping echter wordt aanvaard, zullen al deze vruchteloze inspanningen die de wetenschap in de weg staan, verdwijnen. Zoals we eerder zeiden, heeft Allah elke soort levend wezen afzonderlijk geschapen. De lichamelijke kenmerken, voedingsgewoonten, jachtmethoden, verdedigingstactieken, de manier waarop ze hun jongen grootbrengen enzovoort, vormen bij elk van hen een volmaakte onderlinge harmonie. Het is volkomen misplaatst te beweren dat deze harmonie toevallig is ontstaan en dat vervolgens te proberen te bewijzen. Want deze volmaaktheid kan niet door toeval ontstaan; zij kan alleen tot stand komen door de macht en de controle van onze Heer, de verheven Schepper. Daarom zal het onderzoeken van de bestaande systemen en het blootleggen van hun eigenschappen, in plaats van het bedenken van verhalen die een product van de verbeelding zijn, een zeer grote bijdrage aan de wetenschap leveren. Het allerbelangrijkste is echter dat onderzoek in deze richting ons helpt Allah, de Bezitter van verheven macht, Die de mens en het hele heelal uit het niets heeft geschapen, beter te leren kennen.

Het probleem van de mutaties

Een van de beweringen van de evolutietheorie die de wetenschap tijd kosten, is het hopeloze onderzoek naar “nuttige mutaties”. Het neodarwinisme voert twee begrippen aan als “mechanisme van de evolutie”, en een daarvan zijn de mutaties. Daarom is het voor de evolutietheorie noodzakelijk te bewijzen dat mutaties een gunstig effect op levende wezens hebben. Maar in tegenstelling tot wat de evolutionisten beweren, zijn mutaties altijd schadelijk, en er is nooit waargenomen dat ze een evolutionair effect hebben.

De evolutionisten beweren dat de voorpoten van dinosaurussen die op vliegen joegen, in vleugels veranderden; ze deinzen er niet voor terug zulke denkbeeldige, ja zelfs lachwekkende theorieën naar voren te brengen.
De evolutionisten beweren dat de voorpoten van dinosaurussen die op vliegen joegen, in vleugels veranderden; ze deinzen er niet voor terug zulke denkbeeldige, ja zelfs lachwekkende theorieën naar voren te brengen.

De evolutionisten hebben echter hardnekkig kunstmatige mutaties opgewekt en zijn een strijd aangegaan die tientallen jaren duurde, om nuttige mutaties waar te nemen. Zo werden er op fruitvliegjes zeer veel mutatie-experimenten uitgevoerd, steeds in de hoop dat er een “mutatie zou optreden die de genetische informatie verbetert”. Het resultaat was echter een volledige mislukking. De evolutionistische geleerde Michael Pitman zegt over zulke mutatie-experimenten, die jaren duurden en geen enkel resultaat opleverden:

“Talloze genetici hebben fruitvliegjes generaties lang aan ontelbare mutaties onderworpen. Is daar uiteindelijk een kunstmatige evolutie uit voortgekomen? Helaas niet. Slechts een heel klein deel van de wezens die de genetici voortbrachten, kon buiten de flessen waarin ze werden gevoed in leven blijven. In de praktijk stierven alle gemuteerde vliegen, bleven ze gebrekkig of waren ze onvruchtbaar.”20

De bekende evolutionist Gordon Taylor verwoordt als volgt dat er 50 jaar verloren is gegaan aan mutatie-experimenten:

“Vijftig jaar lang zijn er duizenden experimenten met vliegen uitgevoerd, maar nooit is waargenomen dat er een nieuwe soort ontstond. Er ontstond zelfs geen enkel nieuw enzym.”21

Ook als we naar de beweringen van de evolutionisten op andere wetenschappelijke gebieden kijken, verandert de situatie niet. De evolutionisten verdedigen het darwinisme ondanks alle wetenschappelijke ontdekkingen, en proberen dat zelfs te verhullen door het in te kleden als “wetenschappelijk geduld”. Maar wat zij tonen, is geen wetenschappelijk geduld, maar koppigheid tegenover de wetenschap.

Het probleem van de fossielen

Een andere reden voor het tijdverlies dat de evolutietheorie de wetenschap heeft bezorgd, is dat de paleontologie (de wetenschap die fossielen onderzoekt) bij haar pogingen om deze theorie te bewijzen, in een uitzichtloze situatie terecht is gekomen. Natuurlijk is paleontologisch onderzoek nodig om de geschiedenis van het leven op aarde te leren kennen. Maar de verkeerde opvattingen van de evolutietheorie hebben een negatieve invloed op het fossielenonderzoek en sturen wetenschappers in de verkeerde richting. Vooral sommige paleontologen die het onderwerp “de voorouders van de mens” onderzoeken, zijn volledig vastgelopen. Al hun onderzoek om denkbeeldige wezens te vinden die half aap, half mens zijn, is vruchteloos gebleven.

Daarnaast moet worden gezegd dat fossielenonderzoek onder zeer zware omstandigheden plaatsvindt en grote financiële middelen vereist. Het opzetten van kampen, vooral in gebieden zoals de Afrikaanse woestijnen, waar onderzoeksteams van tientallen mensen maandenlang moeten wonen, en de activiteiten die onder deze zware omstandigheden, onder de brandende zon, met financiële steun van miljarden dollars worden uitgevoerd, hebben de afgelopen anderhalve eeuw geen enkel resultaat opgeleverd.

De bekende evolutionistische fossielenonderzoeker Richard Leakey en de bekende onderzoeker Roger Lewin hebben over dit vruchteloze werk de volgende bekentenis gedaan:

Helaas geeft de weg van de menselijke evolutie ons maar heel weinig en zwakke aanwijzingen: stenen werktuigen, schedelfragmenten, een stuk van een beenbot, een halve kaak, in zeldzame gevallen een volledige schedel en natuurlijk een groot aantal tanden... Dat is precies wat we kunnen vinden in de gesteenten waar onze voorouders ooit leefden en die nu diep begraven liggen... Als iemand bijvoorbeeld zou proberen alle fossielen die tot nu toe zijn gevonden van onze voorouders die vijf of één miljoen jaar geleden leefden, in één kamer te verzamelen, dan zouden een paar grote tafels genoeg zijn om ze allemaal tentoon te stellen. Erger nog: om de fossiele vondsten van hominiden die 15 of 6 miljoen jaar geleden leefden, onder te brengen, zou een niet al te grote schoenendoos volstaan.22

Dit alles is een verspilling van tijd, kennis, arbeid, geld en middelen onder de naam “wetenschap”. Over de hele wereld zijn duizenden universiteiten, wetenschappelijke instellingen en organisaties, miljoenen wetenschappers, docenten en studenten, laboratoria, technisch personeel en technische apparatuur en nog talloze andere middelen gemobiliseerd om een bewering te bewijzen die niet met de werkelijkheid overeenkomt. Maar er komt geen enkel resultaat uit voort; de nieuwe vondsten die worden gedaan, tonen nog duidelijker aan dat de bewering van de evolutie onjuist is.

De evolutionistische wetenschapper S. J. Jones legt in een artikel in het tijdschrift “Nature” als volgt uit in welke impasse de paleoantropologie, dat wil zeggen het fossielenonderzoek naar de voorouders van de mens, is beland:

“Paleoantropologen proberen het gebrek aan fossielen zenuwachtig te verbergen. De paleoantropologie moet nog altijd het enige wetenschapsgebied zijn waarin men bekend kan worden door alleen maar een idee naar voren te brengen. In de paleoantropologie hangt de aanvaarding van een idee af van wie het hardst roept.”23

De verliezen die degenen die de “volmaakte orde in de natuur” ontkennen, de wetenschap hebben “bezorgd”

Het niet aanvaarden van de waarheid van de schepping in de natuur, met andere woorden van de “orde” in de natuur, staat in feite het wetenschappelijk onderzoek in de weg. Een geleerde die weet dat er in de natuur een orde is, begint zijn werk immers met de gedachte die orde en haar doel te onderzoeken. Maar een evolutionist zal dat doel niet dienen, omdat hij de hele natuur ziet als een doelloze hoop materie.

De Amerikaanse wiskundige en filosoof William Dembski is een van de wetenschappers die verdedigen dat er in de natuur een “orde” is. Dembski legt uit dat de evolutionistische visie, doordat zij in de natuur geen doel ziet, de wetenschappelijke vooruitgang vertraagt. Als voorbeeld noemt hij het begrip “junk-DNA” (“nutteloos DNA”) dat de evolutionisten over het DNA naar voren hebben gebracht (“nutteloos DNA” zijn volgens de veronderstelling van evolutionistische wetenschappers delen van het DNA die geen enkele genetische informatie bevatten en dus ook geen enkele functie hebben). Dembski zegt:

“Het begrip ordening zal de wetenschappelijke vooruitgang niet tegenhouden. Integendeel, op de punten waar traditionele evolutionistische benaderingen het wetenschappelijk onderzoek de pas afsnijden, zal het begrip ordening nieuw onderzoek stimuleren. Neem het begrip ‘junk-DNA’. Met deze term wordt aangenomen dat de genetische informatie van een levend wezen het product is van een lang en doelloos evolutieproces, en dat dus slechts een deel van deze genetische informatie nuttig is voor het organisme. Volgens de evolutionistische denkwijze moeten er aanzienlijke hoeveelheden nutteloze stukken DNA zijn. Maar als we aanvaarden dat levende wezens geordend zijn, zullen we denken dat het DNA zeer functioneel is. En inderdaad tonen enkele van de nieuwste ontdekkingen aan dat de aanname dat sommige delen van het DNA ‘nutteloos’ zijn, in feite voortkomt uit onze gebrekkige kennis van het DNA. In een van de recente nummers van het tijdschrift ‘Journal of Theoretical Biology’ stelt John Bodnar dat de stukken DNA in de genetische informatie van eukaryote cellen die geen coderende functie hebben (dat wil zeggen ‘nutteloos’ zijn), in werkelijkheid een soort ‘codes van een genetische taal’ zijn die de groei en ontwikkeling van het organisme mogelijk maken. Het begrip ordening brengt wetenschappers ertoe (in levende wezens) naar functies te zoeken, terwijl de evolutie dat streven belemmert... Het opnemen van het begrip ordening in de wetenschap zal de wetenschappelijke inspanningen nog verder vergroten... Alle denkinstrumenten die tot nu toe voor de wetenschappelijke vooruitgang zijn gebruikt, zullen gebruikt blijven worden. Maar het begrip ordening geeft een wetenschapper een nieuw denkinstrument. Het brengt nieuwe onderzoeksonderwerpen naar voren. Want wanneer we weten dat iets geordend is, willen we ook ontdekken hoe het gemaakt is en wat zijn doel is.”24

Zoals we zien, opent het besef dat de levende wezens door Allah zijn geschapen, zowel nieuwe horizonten voor de wetenschap als een juister begrip van de natuur.

Maar omdat materialistische wetenschappers de schepping door Allah ontkennen, beweren zij dat elk levend wezen in de natuur door toevalligheden is ontstaan. Volgens hen is het volkomen natuurlijk dat er in een toevallig ontstaan heelal “gebrekkige of overbodige stoffen” of een “gebrekkige ordening” bestaan.

Als gevolg van deze verkeerde denkwijze zijn tot op heden veel wetenschappelijke bewijzen verkeerd beoordeeld en zijn veel waarheden lange jaren niet aan het licht gekomen. Een materialistische geleerde die een vogelveer bekijkt die hij in de natuur heeft gevonden, zal bijvoorbeeld bij het zien van de asymmetrische structuur van de veer denken dat deze structuur ongeordend is, “omdat ze toevallig is ontstaan”, en het niet nodig vinden de asymmetrische structuur van de veer te onderzoeken.

Maar voor een geleerde die gelooft dat Allah elk wezen met een doel en in een volmaakte orde heeft geschapen, is de asymmetrische structuur van de veer een eigenschap die beslist moet worden onderzocht. Een geleerde die in deze richting werkt, zal in zeer korte tijd zien dat de asymmetrische structuur van vogelveren noodzakelijk is om te kunnen vliegen, en dat vogels met een symmetrische veerstructuur niet kunnen vliegen.

Soortgelijke voorbeelden komt men in de wetenschappelijke wereld vaak tegen. Een soortgelijke situatie deed zich bijvoorbeeld voor onder wetenschappers die honingbijen bestudeerden. Sommige wetenschappers die berekenden onder welke hoeken de bijen hun raten samenvoegen, berekenden dat de twee hoeken die de bijen gebruiken 0,02 graad afwijken van de maten in de meest volmaakte verhouding (bij de berekeningen werd vastgesteld dat de bijen deze hoeken respectievelijk op 109,28 en 70,32 graden bouwen. De wiskundige König berekende met zeer nauwkeurige berekeningen dat de meest geschikte hoeken voor dit doel 109,26 en 70,34 moesten zijn.)

De betreffende wetenschappers kwamen tot de conclusie dat de bijen een kleine rekenfout hadden gemaakt; de Schotse wiskundige Colin Maclaurin (1698-1746) nam echter geen genoegen met deze verklaringen en herhaalde het experiment, met dit resultaat: König en zijn team hadden door een kleine fout in een logaritmetabel een verkeerde berekening gemaakt die een verschil van 0,02 graad opleverde.25 Zo bleek dat de bijen de meest volmaakte hoek juist hadden berekend, en de wetenschappers verkeerd!

Iemand die weet dat Allah alle levende wezens volmaakt heeft geschapen, zal nooit denken dat een eigenschap die hij in de natuur tegenkomt, een fout bevat. Hij weet dat Allah elke eigenschap die hij ziet, met een doel heeft geschapen.

Een ander voorbeeld van de fout waarin wetenschappers die niet geloven in de volmaakte schepping van Allah vervallen, heeft opnieuw met bijen te maken: in een artikel van Ben Christol in het tijdschrift “New Scientist” van 12 oktober 1996 werd gesteld dat honingbijen tijdens het vliegen soms onnodig vaak met hun vleugels slaan, waardoor hun vlucht inefficiënt zou zijn. Volgens de bewering in dit artikel slaan bijen hun vleugels soms met een lagere en soms met een hogere frequentie, maar vliegen ze toch met dezelfde snelheid, en verspillen ze dus onnodig energie wanneer ze vaak met hun vleugels slaan. Volgens de schrijver was dit een ordeningsfout.

Maar een onderzoeksteam onder leiding van Jon Harrison van de Arizona State University ontdekte tijdens zijn onderzoek uiterst belangrijke redenen voor het verschil in de vleugelslagfrequentie van honingbijen. De resultaten publiceerden zij in het tijdschrift “Science” (1996, deel 274, p. 88). Deze onderzoekers veranderden de omgevingstemperatuur en maten daarbij de lichaamstemperatuur, de vleugelslagfrequentie en de stofwisselingssnelheid van de bijen. Naarmate de temperatuur van 20 naar 40 graden steeg, nam de vleugelslagfrequentie af. Het onderzoek wees uit dat bijen op warme dagen minder vaak en bij koud weer vaker met hun vleugels slaan. Toch werd er geen enkele verandering in de vliegsnelheid waargenomen. Met de extra energie die zij bij koud weer door vaker met hun vleugels te slaan opwekten, verwarmden zij hun lichaam en hun korf. Uiteindelijk bleek dat de vleugels van bijen twee verschillende taken hebben: vliegen en verwarmen.

Een gelovige wetenschapper die vogelveren bestudeert, weet dat elke eigenschap van de veren een bepaald scheppingsdoel heeft, en richt zijn onderzoek daarop.
Een gelovige wetenschapper die vogelveren bestudeert, weet dat elke eigenschap van de veren een bepaald scheppingsdoel heeft, en richt zijn onderzoek daarop.
Bijen hebben zoveel vormen van samenwerking dat wetenschappers pas in de moderne tijd zijn begonnen het gedrag van deze dieren te ontdekken.
Bijen hebben zoveel vormen van samenwerking dat wetenschappers pas in de moderne tijd zijn begonnen het gedrag van deze dieren te ontdekken.

Een van de onderwerpen waarin evolutionistische wetenschappers, die niet geloven dat Allah de levende wezens afzonderlijk, volledig en volmaakt heeft geschapen zoals ze vandaag zijn, zich hebben vergist, is de onzin van de “rudimentaire organen”. Volgens de evolutionisten, die verdedigen dat alle levende wezens door toevalligheden van hun voorouders uit het verleden afstammen, bevat het menselijk lichaam “organen die geen enkele functie vervullen”, die van onze voorouders zijn overgebleven maar in de loop van de tijd zijn verschrompeld omdat ze niet werden gebruikt. Wetenschappers die niet in de schepping door Allah geloven, hebben de wetenschap ook schade berokkend met betrekking tot organen waarvan zij dachten dat ze geen functie hadden. Want naarmate de wetenschap zich ontwikkelde, bleek dat deze organen die zij als functieloos beschouwden, in werkelijkheid van groot belang zijn voor het organisme. Een van de voorbeelden die tonen hoe verkeerd deze negatieve opvatting was die de ontwikkeling van de wetenschap vertraagde, is dat de lange lijst van “rudimentaire organen” die door de evolutionisten was opgesteld, steeds korter is geworden. De evolutionist S. R. Scadding drukt deze waarheid als volgt uit in zijn artikel “Kunnen rudimentaire organen een bewijs voor evolutie zijn?” in het tijdschrift “Evolutionary Theory” (Evolutietheorie):

“Naarmate onze kennis (van de biologie) toeneemt, wordt de lijst van rudimentaire organen steeds korter... Omdat het niet mogelijk is dat een orgaan functieloos is, en omdat de bewering over rudimentaire organen hoe dan ook geen wetenschappelijk karakter heeft, kom ik tot de conclusie dat ‘rudimentaire organen’ geen enkel bewijs ten gunste van de evolutietheorie kunnen vormen.”26

De lijst van rudimentaire menselijke organen werd in 1895 opgesteld door de Duitse anatoom R. Wiedersheim en omvatte ongeveer 100 organen, zoals de blindedarm en het stuitbeen. Maar naarmate de wetenschap zich ontwikkelde, nam het aantal organen op de lijst van Wiedersheim steeds verder af, en men leerde dat deze organen in werkelijkheid zeer belangrijke functies hebben. Zo werd vastgesteld dat de blindedarm, die als rudimentair orgaan werd beschouwd, in werkelijkheid deel uitmaakt van het lymfestelsel, dat de strijd aangaat met microben die het lichaam binnendringen. Van de amandelen, die op dezelfde lijst stonden, werd ontdekt dat ze een belangrijke rol spelen bij de bescherming van de keel tegen infecties. Er werden belangrijke functies vastgesteld van nog veel meer organen waarvan men dacht dat ze nergens toe dienden: het stuitbeen aan het eind van de wervelkolom ondersteunt de botten rond het bekken en is het aanhechtingspunt van enkele kleine spieren; de thymus activeert het afweersysteem van het lichaam door de T-cellen in beweging te brengen; de pijnappelklier scheidt belangrijke hormonen af. Van de halvemaanvormige plooi in het oog, die door Darwin als rudimentair orgaan werd genoemd, bleek dat zij zorgt voor de reiniging en bevochtiging van het oog.

Al deze voorbeelden tonen ons een waarheid: om in de wetenschap tot juiste en snelle resultaten te komen, moet het uitgangspunt beslist juist zijn. Allah heeft alle wezens met een doel en in een volmaakte en volledige orde geschapen. Het doel van een wetenschapper die de natuur onderzoekt, moet daarom zijn de kenmerken van deze volmaaktheid in alle wezens aan het licht te brengen en de wijsheid te onderzoeken van elke eigenschap die hij tegenkomt.

De negatieve invloed op evolutionistische en atheïstische wetenschappers van het besef dat zij zich “tevergeefs hebben ingespannen”

In feite is het ook voor evolutionistische wetenschappers buitengewoon vermoeiend om onderzoek en werk te verrichten voor een bewering die ver van de waarheid af staat en geen resultaat oplevert. Het lijdt geen twijfel dat zij in grote wanhoop vervallen wanneer zij beseffen dat het meeste onderzoek waaraan zij hun leven hebben gewijd, vruchteloos is geweest en niets heeft opgeleverd. Wetenschappelijk onderzoek vergt immers grote opoffering en discipline. Jarenlang in een laboratorium experimenten of waarnemingen doen over een onderwerp waarvan men weet dat het geen resultaat zal opleveren, en uiteindelijk bevindingen verkrijgen die precies het tegenovergestelde zijn van de bewering die men wilde bewijzen, heeft op deze wetenschappers natuurlijk een uiterst negatieve invloed.

De Amerikaanse biochemicus Michael Behe beschrijft in zijn boek “Darwin's Black Box: The Biochemical Challenge to Evolution” (De zwarte doos van Darwin: de biochemische uitdaging aan de evolutie), waarin hij de wetenschappelijke ongegrondheid van het darwinisme bespreekt, als volgt de psychologie van evolutionistische wetenschappers tegenover de waarheid van de “ordening” die in de levende cel aan het licht is gekomen:

“In de afgelopen veertig jaar heeft de moderne biochemie een belangrijk deel van de geheimen van de cel blootgelegd. De moeite die daarvoor werd gedaan, was werkelijk enorm. Tienduizenden mensen hebben hun leven gewijd aan lang werk in laboratoria om deze geheimen te ontdekken... Al deze pogingen om de cel te onderzoeken, verkondigden zeer duidelijk, luidkeels, één enkele conclusie: ‘Ontwerp!’ Deze conclusie was zo duidelijk dat zij als een van de belangrijkste ontdekkingen in de wetenschapsgeschiedenis had moeten worden beschouwd... Deze triomf had ertoe moeten leiden dat tienduizenden mensen deze grote ontdekking met ‘Eureka’-kreten vierden...”

Maar er was geen enkel feest en er werd geen enkele vreugde geuit. Integendeel, tegenover de grote complexiteit die in de cel werd ontdekt, heerste een beschaamd stilzwijgen. Wanneer het onderwerp in het openbaar ter sprake komt, worden veel wetenschappers onrustig; in persoonlijke gesprekken zijn ze wat ontspannener: de meesten erkennen de duidelijke waarheid die ze hebben ontdekt, maar kijken dan naar de grond, schudden hun hoofd en doen alsof er niets is gebeurd. Maar waarom? Waarom omarmt de wetenschappelijke wereld de grote waarheid die zij heeft ontdekt niet? Waarom wordt het duidelijke ontwerp dat aan het licht is gekomen, alleen met intellectuele handschoenen aan het randje vastgepakt? Omdat het aanvaarden van een bewust ontwerp hen onvermijdelijk dwingt het bestaan van Allah te aanvaarden. Sommige evolutionisten geven deze depressie van de wetenschappelijke wereld toe. De evolutionistische paleontoloog dr. Colin Patterson, een van de leidinggevenden van het Natural History Museum in Engeland en auteur van het boek “Evolution” (Evolutie), sprak in zijn beroemde toespraak bij het American Museum of Natural History in New York de volgende historische woorden uit:

“De vraag is: kunt u mij één ding over de evolutie vertellen? Eén ding dat werkelijk waar is. Ik heb deze vraag gesteld aan de hele geologiegroep van ons Natural History Museum, en het enige antwoord dat ik kreeg, was stilte... Later begreep ik dat ik mijn hele leven was misleid door te geloven dat de evolutie een vaststaande waarheid is.”28

Het meeste onderzoek dat evolutionistische wetenschappers jarenlang hebben verricht, is op niets uitgelopen. Dat is een resultaat dat bij veel wetenschappers de lust tot onderzoek doet verdwijnen.
Het meeste onderzoek dat evolutionistische wetenschappers jarenlang hebben verricht, is op niets uitgelopen. Dat is een resultaat dat bij veel wetenschappers de lust tot onderzoek doet verdwijnen.

Patterson vervolgde zijn toespraak als volgt:

“Een van de redenen waarom ik deze anti-evolutionistische denkwijze heb, is het effect van twintig jaar aan dit onderwerp te hebben gewerkt zonder er iets over aan het licht te kunnen brengen. Het is een behoorlijke schok voor iemand om te ontdekken dat hij zo lang in de verkeerde richting is gestuurd.”29 De bekende evolutionistische botanicus N. Heribert Nilsson, een van de professoren van de Universiteit van Lund, geeft toe dat hij meer dan 40 jaar tevergeefs heeft verloren, met de woorden: “mijn pogingen om de evolutie te bewijzen met een experiment dat meer dan 40 jaar duurde, zijn uiteindelijk mislukt”30. De voorbeelden van deze personen tonen werkelijk aan wat de wetenschap heeft verloren door achter een theorie aan te lopen die niet met de werkelijkheid overeenkomt. Decennialang zijn de kennis, tijd, energie, arbeid, laboratoria, assistenten en financiële middelen van duizenden wetenschappers verspild aan een loze mythe die evolutie wordt genoemd.

Nog opmerkelijker is dat niet alleen de evolutionisten van onze tijd, maar zelfs Charles Darwin, de leider van de evolutietheorie, zich vaak zorgen maakte dat hij “zijn tijd tevergeefs besteedde” en dat “zijn hoop uiteindelijk vervlogen zou zijn”.

Darwin uitte zijn zorgen hierover vaak in brieven aan zijn vrienden of in zijn artikelen.

Zo gaf hij bijvoorbeeld als volgt toe dat hij in de natuur geen bewijzen kon vinden die zijn theorie zouden bewijzen:

“Werkelijk, de natuur is volkomen koppig en doet niet wat ik wil.”31

Een andere zin waarin Darwin zijn gebrek aan vertrouwen toegeeft, is de volgende:

“Ik betwijfel of de tijd die ik aan dit werk (zijn werk voor ‘Het ontstaan van soorten’) heb besteed, de moeite waard is geweest.”32

Zoals we zien, brengt deze theorie, die niet met de waarheid overeenkomt en alleen om ideologische redenen wordt verdedigd, ook haar verdedigers benauwdheid en wanhoop. Dit alles zijn onvermijdelijke gevolgen van het feit dat de wetenschap een verkeerde richting is gegeven.

De verliezen die evolutionistische vervalsingen de wetenschap hebben bezorgd

Omdat de evolutionisten geen bewijzen konden vinden die hun theorie bewijzen, hebben zij de mensheid herhaaldelijk misleid door wetenschappelijke ontdekkingen te verdraaien of vervalsingen te plegen. De bekendste van deze vervalsingen is het schandaal van de “Piltdownmens”. Omdat de evolutionisten geen fossielen konden vinden van de wezens die “half aap, half mens” waren en die volgens hen hadden geleefd, maakten zij zelf zo'n fossiel. Ze bevestigden de kaak van een orang-oetan aan een menselijke schedel, gaven die met verschillende chemicaliën een oud uiterlijk en stelden deze schedel jarenlang in het beroemdste museum ter wereld tentoon als “voorouder van de mens”. Het verlies dat deze vervalsing de wetenschap heeft bezorgd, werd, hoewel hij zelf evolutionist is, door F. Clark Howell als volgt uitgelegd:

“De Piltdownmens is niets anders dan een wezen dat bestaat uit een menselijke schedel en een apenkaak. Het was een opzettelijk in scène gezet bedrog. Ze aanvaardden niet dat de kaak van een aap was, en ook niet dat de schedel van een mens was. In plaats daarvan verklaarden ze dat deze delen vondsten waren uit de periode tussen aap en mens. Ze zeiden dat hij 500.000 jaar oud was, gaven hem een naam (Eoanthropus dawsoni of Dageraadsmens) en schreven over dit onderwerp ongeveer 500 boeken. Paleontologen hebben vijfenveertig jaar lang hun tijd met deze ontdekking verdaan.”33

Een andere evolutionist die een vervalsing op zijn naam heeft, Ernst Haeckel, gaf niet alleen zijn eigen vervalsing toe, maar sprak ook als volgt over de oneerlijkheden die zijn collega's ten behoeve van hun ideologie hadden begaan:

“Na deze bekentenis van vervalsing zou ik mezelf als te schande gemaakt en veroordeeld moeten beschouwen. Maar wat mij troost, is dat er naast mij honderden schuldige kameraden zijn, onder wie veel betrouwbare waarnemers en beroemde biologen, in wier beste biologieboeken, verhandelingen en tijdschriften net zoveel vervalsingen, onnauwkeurige gegevens en meer of minder vervormde en geschematiseerde, gereconstrueerde afbeeldingen staan als bij mij.”34

De pogingen om de uitgevoerde waarnemingen, experimenten en onderzoeken in overeenstemming te brengen met de evolutie, en de waarheid te verbergen of in gewijzigde vorm aan het publiek te presenteren, hebben de wetenschappelijke vooruitgang natuurlijk aanzienlijke schade toegebracht. De evolutionistische schrijver W. R. Thompson erkent deze waarheid, zij het indirect, met de volgende woorden:

“De poging van wetenschappers die zich verenigen om een wetenschappelijk onaanvaardbaar dogma te verdedigen, om hun geloof in de ogen van het publiek in stand te houden door moeilijkheden weg te werken en kritiek te verzwijgen, is wetenschappelijk gezien een abnormale en ongewenste situatie.”35

Het interessante aan dit onderwerp is dat de evolutionisten bij het onderzoek en de experimenten die zij uitvoeren om de evolutie te bewijzen, voortdurend bewijzen vinden die de waarheid van de schepping ondersteunen.

Ook al willen de evolutionisten het niet, de wetenschappelijke ontdekkingen bevestigen voortdurend de waarheid van de schepping

Zoals aan het begin van dit hoofdstuk al werd gezegd, ontstaat er verlies van tijd, geld en arbeid wanneer de wetenschap door verkeerde ideologieën wordt gestuurd. Sinds de achttiende eeuw is de wetenschap grotendeels onder de heerschappij van de materialisten gebleven; vrijwel alle activiteiten waren erop gericht de materialistische filosofie wetenschappelijk te bewijzen, en wetenschappelijke bewijzen die de materialistische filosofie weerleggen, werden het publiek in verdraaide vorm voorgelegd.

Het opvallende resultaat is echter dat de evolutionisten bij het onderzoek en de experimenten die zij uitvoerden om de evolutie te bewijzen, voortdurend bewijzen vonden die de schepping bevestigen. Voor wie in het bestaan van Allah gelooft, is wetenschap zeer gemakkelijk en moeiteloos. Het onderzoeken van een bestaand systeem en het zoeken naar bewijzen daarvoor levert voor wetenschappers immers geen moeilijkheid op. Maar het zoeken naar een bewijs dat niet bestaat, is in de woorden van de evolutionisten zelf “vervelend” en “een hoofdpijndossier”.

Een van de duidelijkste voorbeelden hiervan zijn de paleontologische vondsten uit het Cambrium. Het Cambrium is de naam van de periode van ongeveer 550 miljoen jaar geleden waarin men de eerste sporen van leven aantreft. Elk van de levende wezens die in deze periode bestonden, was een volmaakt wezen met uiterst volmaakte systemen. Een uitgestorven diersoort die trilobiet wordt genoemd, heeft bijvoorbeeld een zeer complexe, samengestelde oogstructuur; deze uit lenzen bestaande oogstructuur is identiek aan het oog van sommige insecten die vandaag leven, zoals de libel. Wat volgens de evolutionisten “hoofdpijn” bezorgt, is dat levende wezens met deze complexe structuur zonder enige voorouder plotseling in deze lagen verschijnen. Deze wetenschappelijke vondsten wijzen duidelijk op de schepping.

Het fossiel van de trilobiet, die in het Cambrium verscheen, en de eigenschappen van zijn facetoog behoren tot de bewijzen van de schepping.
Het fossiel van de trilobiet, die in het Cambrium verscheen, en de eigenschappen van zijn facetoog behoren tot de bewijzen van de schepping.

De bekende evolutionistische wetenschapper, de Britse zoöloog Richard Dawkins, zegt het volgende over het feit dat de vondsten die zij hebben gedaan, de waarheid van de schepping bevestigen:

“...De Cambrische lagen zijn de oudste lagen waarin we de meeste grote groepen ongewervelden aantreffen. Ze verschijnen daar, op het moment dat ze voor het eerst opduiken, al in een sterk geëvolueerde vorm. Het is alsof ze daar zomaar in die toestand zijn neergezet, zonder enige evolutionaire geschiedenis. Uiteraard stemt dit plotselinge verschijnen de creationisten zeer tevreden.”36

Deze “vruchteloosheid” op het gebied van de paleontologie is een van de grootste raadsels van de evolutie. Zoals we al eerder zeiden, proberen evolutionistische wetenschappers al tientallen jaren als bewijs voor de evolutie overgangsvormen te vinden (de fasen waarin een levend wezen in een ander levend wezen verandert). Maar omdat zulke wezens nooit op aarde hebben geleefd, hebben ze nooit enig resultaat kunnen boeken. De evolutionistische paleontoloog Mark Czarnecki legt als volgt uit dat de evolutionisten de fossielen van de overgangsvormen waarnaar ze zoeken, op geen enkele manier kunnen vinden:

“Het grootste obstakel bij het bewijzen van de theorie (de evolutie) zijn altijd de fossielen geweest... Ze brengen nooit sporen aan het licht van de overgangsvormen die Darwin veronderstelde. Soorten verschijnen plotseling en verdwijnen ook weer plotseling, en deze onverwachte situatie bewijst opnieuw de creationistische opvatting, die ondersteunt dat de soorten door Allah zijn geschapen.”37

Ook de oogstructuur van de libel die in onze tijd leeft, lijkt op de structuur van de gevonden versteende trilobiet.
Ook de oogstructuur van de libel die in onze tijd leeft, lijkt op de structuur van de gevonden versteende trilobiet.

Zoals ook sommige evolutionisten toegeven, lopen hun pogingen om wetenschappelijke steun voor de evolutie te vinden op niets uit en leveren ze geen positief resultaat op. Elk onderzoek dat evolutionistische wetenschappers verrichten in verband met hun bewering dat alles door toeval is ontstaan, stelt hen namelijk voor een overduidelijke waarheid: de waarheid dat alle levende wezens volmaakt geschapen zijn door Allah, de Heer van de hemelen en de aarde...

Conclusie

Om ons heen en in het heelal waarin we leven, zijn er ontelbare bewijzen voor de waarheid van de schepping. Het verbluffende systeem in een mug, de schitterende kunst in de veren van een pauw, een complex en volmaakt orgaan als het oog en nog miljoenen andere wezens zijn voor gelovige mensen bewijzen van het bestaan van Allah en van Zijn verheven kennis en verstand. Ook een wetenschapper die de waarheid van de schepping aanvaardt en de natuur met deze gedachte onderzoekt, zal groot genoegen beleven aan elke waarneming die hij doet en elk experiment dat hij uitvoert, en er stimulerende kracht uit putten voor nieuw onderzoek.

In een bijgeloof als de evolutie geloven en dat zonder wetenschappelijke grondslag proberen te verdedigen, bezorgt wetenschappers psychologische benauwdheid. De harmonie in het heelal of de ordening in levende wezens is voor hen een grote bron van onbehagen. De volgende woorden van Darwin beschrijven werkelijk de gemoedstoestand van alle evolutionisten:

“De gedachte aan het oog heeft me vaak koud doen worden tegenover mijn theorie. Maar ik heb mezelf langzaamaan aan dit probleem gewend. Ook nu nog maken sommige duidelijke structuren in de natuur me erg onrustig. Bijvoorbeeld: het zien van de veren van een pauw maakt me haast gek.”38

De veren van de pauw, en ook alle andere ontelbare bewijzen van de schepping in de natuur, verontrusten de evolutionisten voortdurend. Bij deze mensen, die hun ogen sluiten voor de overduidelijke bewijzen die ze zien, ontstaat vanzelfsprekend een onverschilligheid tegenover de waarheid en een daarmee samenhangende verstoring van het oordeelsvermogen. De evolutionist Richard Dawkins, die zo ver gaat dat hij zich tot christenen richt met de woorden “zelfs als u ziet dat een standbeeld naar u zwaait, denk dan niet dat u met een wonder te maken hebt... het is zeer onwaarschijnlijk, maar misschien hebben alle atomen in de rechterarm van het standbeeld toevallig op één moment de neiging gehad zich in dezelfde richting te bewegen”, is een typisch voorbeeld van deze verstoring van het oordeelsvermogen.

Om de wetenschap zich te laten ontwikkelen, moeten deze overblijfselen uit de negentiende eeuw terzijde worden geschoven, en zijn er wetenschappers nodig die modern denken en er niet voor terugdeinzen de waarheid die zij zien, te aanvaarden.

De reden dat de pauwenveren “Darwin ziek maakten”, is dat deze veren duidelijk het bestaan van een verheven Schepper laten zien.
De reden dat de pauwenveren “Darwin ziek maakten”, is dat deze veren duidelijk het bestaan van een verheven Schepper laten zien.