De islam is de religie van verstand en geweten. Met zijn verstand ziet de mens de waarheden die Allah bekend heeft gemaakt, en door zijn geweten te gebruiken trekt hij conclusies uit wat hij ziet. Een mens met verstand en geweten zal bijvoorbeeld, ook al heeft hij geen enkele voorkennis en ondanks zijn beperkte kennis, door de eigenschappen van welk wezen in het heelal ook te beschouwen, begrijpen dat het geschapen is door de Bezitter van een verheven Verstand, Kennis en Macht. Als hij slechts enkele van de duizenden voorwaarden ziet die nodig zijn voor het ontstaan van leven op aarde, is dat genoeg om te begrijpen dat de aarde een planeet is die speciaal is geschapen opdat mensen erop kunnen leven. Zo'n mens met verstand en geweten begrijpt gemakkelijk dat de bewering dat de wereld toevallig is ontstaan, onlogisch is. Kortom, ieder mens die nadenkt met gebruik van zijn verstand en geweten, kan de bewijzen van het bestaan van Allah duidelijk zien. Allah spreekt in een vers als volgt over deze mensen:
“Zij die Allah gedenken, staande, zittend en liggend op hun zij, en die nadenken over de schepping van de hemelen en de aarde:
‘Onze Heer, U hebt dit niet tevergeefs geschapen! Glorie zij U! Bescherm ons tegen de bestraffing van het Vuur!’”
Daarom roept Allah de mensen in de Qoer'aan op om na te denken over de bewijzen van de schepping die hen omringen, en deze te onderzoeken. Ieder mens die de systemen in het hele heelal en de levende en levenloze wezens beschouwt, en over wat hij ziet nadenkt en het onderzoekt, zal Allahs verheven verstand, Zijn kennis en Zijn oneindige macht leren kennen. Enkele van de onderwerpen waarover Allah de mensen oproept na te denken, worden in de verzen als volgt genoemd:
“Hebben zij dan niet gekeken naar de hemel boven hen, hoe Wij die hebben gebouwd en versierd, en dat er geen scheuren in zijn? En naar de aarde, hoe Wij die hebben uitgespreid, er stevig verankerde bergen op hebben geplaatst en er allerlei prachtige soorten (gewassen) op hebben laten groeien? Dit alles als lering en vermaning voor iedere dienaar die zich tot zijn Heer wendt. En Wij hebben uit de hemel gezegend water neergezonden en daarmee tuinen en graan om te oogsten laten groeien, en rijzige dadelpalmen met bloeikolven die in lagen boven elkaar staan.”
Voor ieder denkend mens met verstand en geweten zijn de bewijzen van het bestaan van Allah, de verheven Schepper, in het heelal duidelijk zichtbaar.
“Hij is Degene Die de zeven hemelen in lagen boven elkaar heeft geschapen. Jij zult in de schepping van de Erbarmer geen enkele onvolkomenheid zien. Kijk nog eens:
Zoals uit de bovenstaande verzen blijkt, roept Allah de mensen op onderzoek te doen naar onderwerpen als de hemel, de regen, de planten, de dieren, de geboorte en de geografische kenmerken, en deze te bestuderen. Een van de wegen om al deze wezens te bestuderen en te onderzoeken is, zoals we al eerder zeiden, de wetenschap. De kennis die door wetenschappelijk onderzoek wordt verkregen, laat de mensen de geheimen van de schepping en Allahs oneindige kennis, verstand en macht kennen. Dat is ook de reden waarom de meeste wetenschappers die in de loop van de geschiedenis de mensheid grote diensten hebben bewezen, religieuze mensen waren die in Allah geloofden: de wetenschap is een weg om de macht van Allah te waarderen...
“Hij is de Schepper van de hemelen en de aarde uit het niets.”
Het geloof in Allah geeft wetenschappers groot enthousiasme en vervoering
Zoals we hierboven al hebben besproken, moedigt de religie de wetenschap aan, en mensen met verstand en geweten die zich met wetenschap bezighouden, bezitten tegelijk ook een sterk geloof, omdat zij van zeer nabij getuige zijn van de bewijzen van het bestaan van Allah. Bij elk onderzoek en bij elke nieuwe ontdekking stuiten deze mensen immers op een volmaakt systeem en een feilloos detail dat Allah heeft geschapen.
Een wetenschapper die het oog bestudeert, begrijpt bijvoorbeeld al alleen door het complexe systeem in het menselijk oog te zien, dat dit nooit door toevalligheden en stapsgewijs kan zijn ontstaan. Als hij nog wat verder kijkt, wordt hij er getuige van dat elk detail waaruit het oog bestaat, op wonderbaarlijke wijze is geschapen. Hij ziet dat het oog bestaat uit tientallen afzonderlijke delen die op elkaar zijn afgestemd, en zijn bewondering voor Allah, Die het heeft geschapen, neemt vele malen toe.
Op dezelfde manier ziet een wetenschapper die het heelal bestudeert, zich in één klap geconfronteerd met duizenden wonderbaarlijke evenwichten.
Dat miljarden sterrenstelsels in de onmetelijke ruimte, waarvan de grenzen onmogelijk te bepalen zijn, en de miljarden sterren in die sterrenstelsels in grote harmonie bestaan, geeft hem een groot verlangen om onderzoek te doen.
Hierdoor wordt een gelovig mens buitengewoon gretig en vastberaden om wetenschappelijk onderzoek te doen en de geheimen van het heelal te leren kennen. Albert Einstein, die als het grootste genie van onze tijd wordt beschouwd, heeft in een van zijn geschriften deze stimulerende kracht die gelovige wetenschappers aan de religie ontlenen, als volgt beschreven:
“Ik ben ervan overtuigd dat het kosmisch religieuze gevoel de sterkste en meest diepgewortelde drijfveer is van wetenschappelijk onderzoek. Ongetwijfeld hebben degenen die dit gevoel als eersten met hun wetenschappelijk denken verenigden, het het sterkst ervaren. Het wetenschappelijk en rationeel begrijpen van de structuur van het heelal geeft de mens het diepste geloofsgevoel. Het beeld van het heelal dat Kepler en Newton na jaren van inspanning begrepen, gaf hun zulke diepe gevoelens. Wie zich alleen tevreden stelt met de praktische kant van wetenschappelijk onderzoek, heeft hierover altijd en overal verkeerde verklaringen gegeven. Maar dit gevoel en deze inspiratie vervullen de harten van mensen die hun leven volledig aan wetenschappelijk onderzoek hebben gewijd, en juist zulke mensen zetten hun onderzoek ondanks duizend en één moeilijkheden voort. Zij putten deze kracht uit het religieuze gevoel. Een tijdgenoot van ons heeft zeer terecht gezegd: in onze materialistische tijd hebben degenen die als eersten de weg van de positieve wetenschap verkenden, het diepste religieuze gevoel ervaren.”1 Johannes Kepler zei dat hij zich met wetenschap bezighield om te genieten van de werken van de Schepper, en Isaac Newton, die als een van de grootste wetenschappers uit de geschiedenis wordt beschouwd, zei dat de reden van zijn wetenschappelijk onderzoek het verlangen was om Allah te vinden en te leren kennen.
Deze woorden zijn van slechts enkele van de bekendste wetenschappers uit de wereldgeschiedenis. Deze mensen, en honderden andere wetenschappers zoals zij die we in de volgende hoofdstukken zullen bekijken, zijn personen die door het heelal te bestuderen tot geloof in het bestaan van Allah kwamen, en die, onder de indruk van de wetten en verschijnselen die Allah in Zijn majesteit heeft geschapen, nog meer wilden ontdekken.
Zoals we zien, is het verlangen om te zien hoe Allah het heelal heeft geschapen, in de geschiedenis voor veel wetenschappers de grootste bron van motivatie geweest. Want wie begrijpt dat het heelal en de levende wezens geschapen zijn, begrijpt tegelijk dat er in deze schepping een doel is. En een doel brengt vanzelfsprekend betekenis voort. Het verlangen om deze betekenis te begrijpen, de bewijzen ervan te vinden en de details ervan te onderzoeken, geeft het wetenschappelijke werk grote kracht. Tegelijk verdwijnt ook deze betekenis als de waarheid dat het heelal en de levende wezens geschapen zijn, wordt ontkend. Een wetenschapper die gelooft in de materialistische filosofie en het darwinisme, zal bijvoorbeeld denken dat er in het heelal geen enkel doel is en dat alles het product is van loze toevalligheden. In dat geval heeft ook het onderzoeken van het heelal en de levende wezens geen werkelijke betekenis meer. Einstein drukte deze waarheid zo uit: “als het religieuze gevoel verloren gaat, verwordt de wetenschap tot een experiment zonder inspiratie”2.
In dat geval is het enige doel dat een wetenschapper zich zal stellen, beroemd te worden door een ontdekking, de geschiedenis in te gaan of veel geld te verdienen. Deze doelen kunnen hem echter van oprechtheid en wetenschappelijke eerlijkheid afbrengen. Als een conclusie waartoe hij op grond van wetenschappelijke ontdekkingen is gekomen bijvoorbeeld ingaat tegen de heersende opvatting in de wetenschappelijke wereld, zal hij uit angst zijn naam en aanzien te verliezen, te worden veroordeeld of te worden vernederd, gedwongen zijn haar te verzwijgen.
Dat de evolutietheorie lange tijd in de wetenschappelijke wereld is aanvaard, is een voorbeeld van deze onoprechtheid. In werkelijkheid zien en begrijpen veel wetenschappers die met de wetenschappelijke feiten worden geconfronteerd, dat de evolutietheorie niet in staat is het leven te verklaren, maar ze spreken dit niet uit, alleen om niet onder druk te worden gezet. De Britse natuurkundige H. S. Lipson zegt hierover:
“We weten over levende wezens veel meer dan Darwin wist. We weten bijvoorbeeld hoe zenuwen werken, en naar mijn mening is elke zenuw vanuit het oogpunt van de elektrotechniek een meesterwerk. In ons organisme zijn er miljarden van... In dit geval is het woord dat bij mij opkomt ‘ontwerp’. Maar mijn collega-biologen houden helemaal niet van dit woord.”3
Ze willen dat het woord “ontwerp”, dat de schepping uitdrukt, uit de wetenschappelijke literatuur wordt verwijderd, alleen omdat ze dit woord niet prettig vinden, en een groot aantal wetenschappers buigt voor dit dogmatische wereldbeeld. Lipson verklaart deze waarheid als volgt:
“In feite is de evolutie een soort ‘wetenschappelijke religie’ geworden: bijna alle wetenschappers hebben haar aanvaard en velen zijn zelfs bereid hun waarnemingen te verdraaien om ze ermee in overeenstemming te brengen.”4
Deze tegenstrijdige situatie is een gevolg van de misvatting van de “wetenschap zonder religie”, die vanaf het midden van de negentiende eeuw de wetenschappelijke wereld begon te beheersen. Zoals Einstein zei: “wetenschap zonder religie is kreupel”5. Daarom heeft deze misvatting zowel de wetenschappelijke wereld naar verkeerde doelen geleid, als wetenschappers voortgebracht die onverschillig blijven, hoewel ze zien dat deze doelen verkeerd zijn. Het eerste van deze twee gevolgen zullen we op de volgende pagina's uitgebreid bekijken.
De toewijding van gelovige wetenschappers om te dienen
Omdat wetenschappers die in het bestaan en de grootheid van Allah geloven, geen wereldse verlangens hebben zoals positie, status, roem of geld, zijn ook de inspanningen die zij bij wetenschappelijk onderzoek leveren buitengewoon oprecht. Deze mensen weten dat elk geheim van het heelal dat zij ontdekken, alle mensen Allah zal laten kennen en hun Allahs oneindige macht en kennis zal tonen. De mensen het bestaan van Allah uitleggen en hen met de waarheid van de schepping bekendmaken, is voor een gelovig mens ongetwijfeld een belangrijke vorm van aanbidding.
Juist gelovige wetenschappers met zulke oprechte gedachten verrichten hun hele leven lang met groot enthousiasme belangrijk werk om de wetten in het heelal, de wonderbaarlijke systemen in de natuur, de feilloze mechanismen en het intelligente gedrag van levende wezens te ontdekken. Uit hun werk halen zij ook buitengewoon nuttige resultaten en boeken zij grote vooruitgang. Moeilijkheden op deze weg doen hen niet terugdeinzen, en ook als zij van de mensen geen erkenning krijgen, verliezen zij hun gedrevenheid niet. Want met wat zij doen streven zij juist naar het welbehagen van Allah.
Wie denkt dat de wetenschap zich zal ontwikkelen door ver van de religie te blijven, vergist zich ongetwijfeld zeer. Allereerst kunnen mensen die niet in Allah geloven, het geestelijke enthousiasme dat het geloof geeft, niet ervaren. Het wetenschappelijk onderzoek waarmee ze aanvankelijk misschien vol vuur begonnen, zal hun na een tijdje gewone en eentonige bezigheden gaan lijken. Het levensdoel van mensen die zo denken, bestaat erin op korte termijn voordelen te behalen die aan het wereldse leven gebonden zijn. Daarom werken deze mensen voor wereldse verlangens zoals geld, positie, roem en aanzien. Een wetenschapper die zo denkt en carrière wil maken aan de universiteit, zal bijvoorbeeld alleen werken op terreinen die hem naar een hogere positie brengen. Zelfs als er een kwestie is waarvan hij denkt dat die de mensen tot nut kan zijn, zal hij geen onderzoek doen op een terrein waar hij er voor zichzelf niets aan overhoudt. Als hij voor twee onderzoeksonderwerpen staat, zal hij afwegen welke van de twee hem meer materieel gewin, aanzien en positie oplevert, en zelfs als hij weet dat het andere tot een resultaat zal leiden dat nuttiger is voor de mensen, zal hij zich van dat onderwerp afkeren. Kortom, zulke mensen doen geen moeite om nuttig te zijn voor of te dienen aan mensen die hun geen voordeel opleveren. Valt het vooruitzicht op voordeel weg, dan verdwijnt ook hun vastberadenheid om te werken.
Het enthousiasme en de vervoering die een mens die in Allah gelooft, ervaart, opent niet alleen op het gebied van de wetenschap, maar ook op vele andere terreinen zoals kunst en cultuur ruime mogelijkheden voor de mensen, en raakt nooit uitgeput; integendeel, het blijft voortduren en wordt zelfs nog sterker.