Terug naar de gids
AZTRENDEFRESNLRUITSQBSROKYDA

Kunnen wij geen vrienden zijn met de Mensen van het Boek (christenen en Joden)?

Kunnen de Mensen van het Boek geen vrienden zijn? Kan men met vrouwen van de Mensen van het Boek trouwen, maar geen vriendschap sluiten?

Zoals een deel van de mensen beweert, de Mensen van het Boek niet tot vrienden nemen, vijandschap jegens hen koesteren en geen omgang met hen hebben, is een houding die in strijd is met de Koran en met de gewoonte van Allah. In vers 51 van Soera Al-Ma'ida, waarop deze personen hun beweringen baseren, heeft onze Heer gesproken: ‘O gij die gelooft, neem de Joden en de christenen niet tot vrienden (beschermers); zij zijn elkaars vrienden. Wie van jullie hen tot vrienden neemt, behoort ongetwijfeld tot hen. Voorwaar, Allah leidt het volk van onrechtplegers niet op het rechte pad.’

Het in het vers voorkomende woord vrienden komt twee keer voor. Het ene is het woord “evliyau”, dat “beschermers, voor de wet verantwoordelijken, evliya’s, meesters, eigenaars, bezitters” betekent. Het andere is “Yetevellehum”. Dat betekent “neemt de zorg op zich, komt in een heersende positie, neemt het bestuur in handen”. Het in dit vers voorkomende woord “vriend, veli” betekent “bestuur”. Allah maakt de moslims bekend dat zij niet onder het bestuur van christenen en Joden moeten komen. Dat wil zeggen dat dit vers, zoals sommigen zeggen, niet de betekenis heeft dat men geen goede relaties met Joden of christenen mag hebben en vijandschap jegens hen moet koesteren.

Onze Heer heeft zeer duidelijke verzen waaruit blijkt dat de Mensen van het Boek niet allemaal gelijk zijn. Als wij iedereen die geen moslim is tot vijand zouden moeten nemen, zou Allah ons deze verzen niet hebben bekendgemaakt. Bovendien, als alle niet-moslims onze vijanden waren, zou Allah hun maaltijden en hun vrouwen om mee te trouwen niet toegestaan hebben gemaakt. Want onze Profeet is zelf ook getrouwd met een dame van de Mensen van het Boek. Men gaat naar de bruiloft van de Mensen van het Boek, men gaat naar hun begrafenis, men eet hun maaltijden, men drijft handel, er is een leven door elkaar heen, vriendschappelijk, kameraadschappelijk, broederlijk. In de praktijken van onze Profeet is dit duidelijk te zien. Deze saamhorigheid is de broederschap en vriendschap van de wereld, niet de broederschap in de godsdienst. Hoe kan iemand anders trouwen met iemand die hij niet vertrouwt en jegens wie hij vijandschap voelt, hoe kan hij aan diens tafel gaan zitten? Wat dit onderwerp betreft willen wij voor degenen die vers 51 van Soera Al-Ma'ida zien en de andere verzen over de Mensen van het Boek negeren, enkele verzen in herinnering brengen.

لَيْسُوا۟ سَوَآءً مِّنْ أَهْلِ ٱلْكِتَٰبِ أُمَّةٌ قَآئِمَةٌ يَتْلُونَ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ ءَانَآءَ ٱلَّيْلِ وَهُمْ يَسْجُدُونَ

– Zij zijn niet allemaal gelijk. Onder de Mensen van het Boek is er een groep die 's nachts rechtop staat, de verzen van Allah reciteert en zich neerbuigt. (Soera Al Imran, 113)

Zij zijn niet allemaal gelijk!

– …onder de Mensen van het Boek is er zo iemand dat, als je hem een kantar in bewaring geeft, hij die aan je teruggeeft; … (Soera Al Imran, 75)

– Voorwaar, onder de Mensen van het Boek zijn er die in Allah geloven, in wat aan jullie is neergezonden en in wat aan hen is neergezonden -als mensen die diepe eerbied voor Allah tonen. Zij verkopen de verzen van Allah niet voor een geringe prijs. Voor hen is er een loon bij hun Heer… (Soera Al Imran, 199)

ٱلْيَوْمَ أُحِلَّ لَكُمُ ٱلطَّيِّبَٰتُ وَطَعَامُ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ حِلٌّ لَّكُمْ وَطَعَامُكُمْ حِلٌّ لَّهُمْ وَٱلْمُحْصَنَٰتُ مِنَ ٱلْمُؤْمِنَٰتِ وَٱلْمُحْصَنَٰتُ مِنَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَٰبَ مِن قَبْلِكُمْ إِذَآ ءَاتَيْتُمُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ مُحْصِنِينَ غَيْرَ مُسَٰفِحِينَ وَلَا مُتَّخِذِىٓ أَخْدَانٍ وَمَن يَكْفُرْ بِٱلْإِيمَٰنِ فَقَدْ حَبِطَ عَمَلُهُۥ وَهُوَ فِى ٱلْـَٔاخِرَةِ مِنَ ٱلْخَٰسِرِينَ

– Vandaag zijn de reine dingen voor jullie toegestaan gemaakt. De maaltijd van degenen aan wie het Boek is gegeven, is voor jullie toegestaan en jullie maaltijd is voor hen toegestaan. Ook de vrije en kuise vrouwen onder de gelovigen en de vrije en kuise vrouwen van degenen aan wie vóór jullie het Boek is gegeven, zijn, als eerbare mannen die geen ontucht plegen en er geen geheime vriendinnen op na houden -mits jullie hun loon (hun mehir) betalen- voor jullie (toegestaan gemaakt). Wie het geloof niet erkent en tot ongeloof vervalt, diens daden zijn stellig tevergeefs geweest. Hij behoort in het hiernamaals tot de verliezers. (Soera Al-Ma'ida, 5)

– …En als de naasten in liefde tot degenen die geloven, zul je onder hen degenen vinden die zeggen: “wij zijn christenen”. Dat komt doordat er onder hen (bepaalde) priesters en monniken zijn en doordat zij zich in werkelijkheid niet groot voordoen. (Soera Al-Ma'ida, 82)

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَٱلَّذِينَ هَادُوا۟ وَٱلنَّصَٰرَىٰ وَٱلصَّٰبِـِٔينَ مَنْ ءَامَنَ بِٱللَّهِ وَٱلْيَوْمِ ٱلْـَٔاخِرِ وَعَمِلَ صَٰلِحًا فَلَهُمْ أَجْرُهُمْ عِندَ رَبِّهِمْ وَلَا خَوْفٌ عَلَيْهِمْ وَلَا هُمْ يَحْزَنُونَ

– Voorwaar, (wie van) degenen die geloven(,) de Joden, de christenen en de Sabiërs in Allah en de Laatste Dag gelooft en goede daden verricht, voor hen is er een loon bij Allah. Er zal voor hen geen vrees zijn en zij zullen niet treuren. (Soera Al-Baqara, 62)

Allah verbiedt jullie niet goed te doen voor en rechtvaardig te handelen jegens degenen die niet tegen jullie strijden om de godsdienst en die jullie niet uit jullie huizen verdrijven. Want Allah houdt van hen die rechtvaardig handelen. (Soera Al-Mumtahana, 8) Volgens dit vers beveelt Allah ons rechtvaardig te oordelen over degenen die niet tegen ons strijden om onze godsdienst. …Laat jullie wrok jegens een gemeenschap jullie niet van de rechtvaardigheid afhouden. Handel rechtvaardig. Dat staat dichter bij takva. (Soera Al-Ma'ida, 8) zegt Hij.

Aanvullende informatie:

Personen die niet willen geloven in onze uitleg dat Allah ons in dit vers niet zegt: neem de Joden en christenen niet tot vrienden, maar: neem hen niet tot VELİ;
Hoe hebben zij de volgende zin in Al-Baqara 282 toch vertaald? Wat zou de betekenis zijn als zij in dit vers het woord EVLİYA als VRIENDEN vertaalden, en waarom hebben degenen die in dit vers de betekenis VELİ geven, de betekenis VRIEND verkozen toen het ging om het vers waar dit bericht over gaat, dat de relatie met Joden en christenen beschrijft.

”ev lâ yestatîu en yumille huve felyumlil veliyyuhu bil adl(adli)”

Wat hebben zij gezegd over het hier voorkomende woord VELî?
Zegt het vers dat, als hij zelf niet in staat is het te schrijven, dan zijn VRIEND het moet laten schrijven? Of zijn VELİ?