Terug naar de gids
AZTRENDEFRESNLRUITSQBSROKYDA

Verzen in de Koran waarin de uitdrukking ”Zeg, Zeg dan” niet voorkomt, zijn niet tegenstrijdig

We kunnen zeggen dat de vrienden die het niet gebruiken van de uitdrukking “Zeg dan” in sommige verzen van de Koran tot hun argument maken, zonder onderzoek blindelings kritiek leveren… Bijvoorbeeld; ook bij de verzen 104 van Soera Al-An'am en 91 van Soera An-Naml en dergelijke is de uitdrukking “Zeg dan” impliciet aanwezig. Dit is een stijlkenmerk dat aan de Koran eigen is. Wie gevoel voor de Arabische taal heeft, bespeurt in deze teksten nooit een gebrekkigheid of tekort. Uit de natuurlijke loop van de rede begrijpt hij dat de uitdrukking een woord van Allah is. Zo is in vrijwel alle Koranvertalingen, ook die welke door westerlingen zijn gemaakt, de uitdrukking “Zeg dan” tussen haakjes weergegeven.

In de verzen die met het bevel “Zeg dan” beginnen, is de zinsvorm gestalte gegeven als gericht van Allah tot de dienaar. Als het feit dat de zinsvorm zo is, volstaat om te bewijzen dat dat woord een woord van Allah is, dan heeft de Koran dit punt ongeveer driehonderd keer naar voren gebracht. Ook, als dit punt van vitaal belang is om te laten zien of de Koran een woord van Allah is of niet, (volgens de bewering dat de Koran het woord van Profeet Mohammed is (!)) dan is Profeet Mohammed zich hiervan bewust en heeft hij hier op ongeveer driehonderd plaatsen op gelet. Waarom zou hij het dan op enkele plaatsen hebben nagelaten? Zo is ook de bewering dat hij het vergat ongeldig. Want het is onmogelijk dat hij dit tekort (!) in de Koran, die hij voortdurend las en verkondigde, God verhoede, niet zou opmerken.

Bovendien hebben de Arabische veelgodendienaars, in wier eigen taal de Koran is neergedaald, zich ondanks al hun vijandschap tegen de Koran nooit aan zo’n bezwaar gewaagd. Laat staan bezwaar, ondanks alle aanhoudende eisen en uitdagingen van de Koran hebben zij geen boek als dit, geen soera als een van zijn soera’s, geen vers, geen woord kunnen voortbrengen. Als de Koran het woord van de Profeet was geweest, dan zouden ook de Arabische veelgodendienaars, die met hem dezelfde stam, dezelfde samenleving en omgeving deelden, dezelfde taal spraken en qua sociale positie hoger stonden dan hij, zo’n boek hebben voortgebracht. Maar dit is hun niet gelukt. Want “Hij spreekt niet uit de begeerte van zijn ziel. Het (de Koran) is slechts een openbaring die hem wordt meegedeeld” [Soera An-Najm 3-4]

Als er in de zinsbouw van de Koran iets was geweest waartegen bezwaar gemaakt kon worden en dat in strijd was met literair gevoel en logica, dan hadden vóór hen die geen woord Arabisch kennen, de Arabische veelgodendienaars zelf, de eerste aangesprokenen van de Koran, dit gedaan. Zij zouden zich natuurlijk, om zo’n boek dat erop gericht was de religie van hun voorvaderen uit te bannen in de ogen van het volk te doen dalen, erop hebben gericht de tekorten ervan op te sommen en het te bekritiseren. Maar de Arabieren op het toppunt van literair gevoel hebben zoiets niet gedaan. Zij waren zelfs vol bewondering voor de literaire superioriteit van de Koran en hebben deze bewondering verwoord in de vorm “Dit (de Koran) is niets anders dan duidelijke tovenarij.” [Soera Saba, 43]. Degenen die beweren dat de Koran het woord van de Profeet is, hebben hun bewondering, op een wijze die de hoge literaire kracht van dit boek laat zien, voor de Profeet verwoord in de vorm van de beoordeling “...nee, hij heeft het zelf verzonnen; nee, hij is een dichter.”…