In de verzen over de wachttijd van de vrouw wier man is gestorven is geen tegenstrijdigheid
In de Koran worden enkele bepalingen bekendgemaakt over de situatie van een vrouw wier man is gestorven. Er wordt beweerd dat er een tegenstrijdigheid bestaat in de verzen waarin de bepalingen hierover worden bekendgemaakt. In een van deze verzen wordt gesproken over een periode van een jaar, terwijl in het andere wordt gesproken over een periode van vier maanden en tien dagen. Hoewel men het verschil in perioden als een tegenstrijdigheid probeert voor te stellen, blijkt wanneer men kijkt naar de onderwerpen die in de verzen worden verteld, dat er geen tegenstrijdigheid bestaat. Want de reden van het verschil in perioden komt voort uit het feit dat voor weduwen over verschillende onderwerpen verschillende perioden zijn bekendgemaakt. De verzen over dit onderwerp luiden als volgt:
Uw mannen die sterven en echtgenotes achterlaten, moeten bij testament bepalen dat in het levensonderhoud van hun echtgenotes een jaar lang wordt voorzien zonder dat zij uit hun huizen worden gezet. Als zij vertrekken, bent u niet verantwoordelijk voor het doen van wat voor henzelf passend is. Allah is Machtig, Wijs. (2 Soera Al-Baqara – 240)
De echtgenotes die worden achtergelaten door de mannen onder u die sterven, wachten vier maanden en tien (dagen). Wanneer zij hun periode hebben voltooid, hebt u geen verantwoordelijkheid meer voor het doen van wat voor henzelf passend is. Allah is op de hoogte van wat u doet. (2 Soera Al-Baqara – 234)
Het in vers 240 van soera Al-Baqara bekendgemaakte onderwerp is de bekendmaking dat weduwen het recht hebben een jaar in het huis van hun man te blijven. Na de dood van de man kan het huis van de man bij de verdeling van de erfenis als erfenis aan verschillende personen zijn toegevallen. In dat geval heeft de vrouw het recht een jaar in dit huis te wonen. Bovendien moet in haar levensonderhoud worden voorzien. In vers 234 van soera Al-Baqara daarentegen wordt bevolen dat vrouwen wier man is gestorven vier maanden en tien dagen wachten en in deze periode niet trouwen. Zo blijkt dus dat in de twee verzen voor de vrouw over twee verschillende situaties een bepaling wordt bekendgemaakt. Wanneer het vers met zijn onderwerpen aandachtig wordt onderzocht, is het duidelijk dat er geen tegenstrijdigheid is.