Ash-Shu'ara
Vertaling: Leemhuis
T[aa?] S[ien] M[iem]. 26:1
Dit zijn de tekenen van het duidelijke boek. 26:2
Misschien zul jij jezelf van smart nog ombrengen omdat zij niet gelovig zijn. 26:3
Als Wij wilden, hadden Wij uit de hemel tot hen een teken neergezonden, zodat hun nekken ervoor gebogen zouden blijven. 26:4
Geen nieuwe vermaning komt er tot hen van de Erbarmer of zij wenden zich ervan af. 26:5
Zij hebben ze immers geloochend, maar de mededelingen over dat waarmee zij de spot dreven zullen tot hen komen. 26:6
Of hebben zij niet naar de aarde gezien, hoeveel voortreffelijke soorten Wij erop hebben laten groeien? 26:7
Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig. 26:8
Echter, jouw Heer is werkelijk de machtige, de barmhartige. 26:9
Toen jouw Heer Moesa riep: "Ga naar de mensen die onrecht plegen, 26:10
het volk van Fir'aun [om te zien] of zij niet godvrezend zullen worden." 26:11
Hij zei: "Mijn Heer ik ben bang dat zij mij van leugens zullen betichten, 26:12
en mijn hart is benauwd en mijn tong komt niet los; ontbied Haroen dus maar. 26:13
Zij kunnen mij ook nog op een zonde aanspreken en ik ben dus bang dat zij mij zullen doden." 26:14
Hij zei: "Welnee, ga dus beiden met Onze tekenen heen. Wij zijn met jullie en luisteren." 26:15
Toen kwamen zij bij Fir'aun en zeiden: "Wij zijn de gezant van de Heer van de wereldbewoners. 26:16
Laat de Israëlieten met ons gaan." 26:17
Hij zei: "Hebben wij jou niet als kind grootgebracht en heb jij niet jaren van jouw leven bij ons gewoond? 26:18
En jij hebt gedaan wat je gedaan hebt en bent nu een van de ondankbaren." 26:19
Hij zei: "Dan heb ik het gedaan toen ik nog een van de dwalenden was. 26:20
En ik ben van jullie weggevlucht toen ik bang voor jullie geworden was, maar mijn Heer heeft mij oordeelskracht geschonken en mij tot een van de gezondenen gemaakt. 26:21
Is dat dan genade die jij aan mij bewezen hebt, dat jij de Israëlieten geknecht hebt?" 26:22
Fir'aun zei: "En wat is dan de Heer van de wereldbewoners?" 26:23
Hij zei: "De Heer van de hemelen en de aarde en wat er tussen beide is, als jullie ervan overtuigd zijn." 26:24
Hij zei tegen wie er om hem heen stonden: "Horen jullie het niet?" 26:25
Hij zei: "Hij is jullie Heer en de Heer van jullie voorvaderen." 26:26
Hij zei: "Jullie gezant die tot jullie gezonden is, is bezeten." 26:27
Hij zei: "De Heer van het oosten en het westen en wat er tussen beide is, als jullie verstand hebben." 26:28
Hij zei: "Als jij je een ander dan mij als god neemt dan zal ik je zeker tot een van de gevangenen maken." 26:29
Hij zei: "Maar wat dan als ik jou iets duidelijks breng?" 26:30
Hij zei: "Breng het maar tevoorschijn als jij behoort tot hen die gelijk hebben." 26:31
Toen wierp hij zijn staf en het was opeens duidelijk een slang. 26:32
En hij strekte zijn hand uit en zij was opeens wit voor de toeschouwers. 26:33
Hij zei tot de voornaamsten rondom hem: "Zie, dit is een kundig tovenaar. 26:34
Hij wil jullie met toverij uit jullie land verdrijven. Wat gebieden jullie dan?" 26:35
Zij zeiden: "Houd hem en zijn broer nog wat tegen en zend bijeenroepers in de steden uit, 26:36
om elke kundige tovenaar tot jou te brengen." 26:37
En de tovenaars verzamelden zich op de afgesproken tijd van een vastgestelde dag. 26:38
En men zei tot de mensen: "Zullen jullie ook bijeenkomen? 26:39
Misschien zullen wij de tovenaars volgen als zij de overwinnaars zijn." 26:40
Toen de tovenaars dan kwamen zeiden zij tot Fir'aun: "Er is voor ons toch wel een beloning als wij overwinnen?" 26:41
Hij zei: "Ja, jullie zullen dan tot hen behoren die in [mijn] nabijheid zijn toegelaten." 26:42
Moesa zei tot hen: "Werpt wat jullie te werpen hebben." 26:43
Zij wierpen dus hun touwen en hun staven en zeiden: "Bij de macht van Fir'aun, wij zijn werkelijk de overwinnaars." 26:44
Daarop wierp Moesa zijn staf. Die verslond toen wat zij de mensen voortoverden. 26:45
Toen werden de tovenaars neergeworpen om zich eerbiedig neer te buigen. 26:46
Zij zeiden: "Wij geloven in de Heer van de wereldbewoners, 26:47
de Heer van Moesa en Haroen." 26:48
Hij zei: "Jullie geloven aan hem voordat ik jullie toestemming gegeven heb. Hij is zeker jullie meester die jullie heeft leren toveren. Dan zullen jullie het weten; Ik zal jullie de handen en voeten aan tegenovergestelde kanten afhouwen en jullie allen tezamen kruisigen." 26:49
Zij zeiden: "Het deert [ons] niet, wij zullen tot onze Heer omkeren. 26:50
Wij begeren dat onze Heer ons onze fouten vergeeft, omdat wij [nu] de eersten van de gelovigen zijn." 26:51
En Wij openbaarden aan Moesa: "Vertrek 's nachts met Mijn dienaren, want jullie zullen achtervolgd worden." 26:52
Toen zond Fir'aun in de steden bijeenroepers uit: 26:53
"Dezen zijn maar een klein groepje 26:54
en toch maken zij ons woedend. 26:55
Maar wij zijn allen op onze hoede." 26:56
Toen lieten Wij hen uit tuinen en bronnen wegtrekken, 26:57
bij schatten weg en uit een voortreffelijke positie. 26:58
Zo is het. En Wij lieten de Israëlieten het beërven. 26:59
Maar zij achtervolgden hen bij zonsopgang. 26:60
En toen de beide troepenmachten elkaar zagen zeiden de mensen van Moesa: "Wij worden ingehaald." 26:61
Hij zei: "Welnee, mijn Heer is met mij; Hij zal mij de goede richting wijzen." 26:62
En Wij openbaarden aan Moesa: "Sla met jouw staf op de zee." Toen spleet zij en elke kant was als een geweldige berg. 26:63
En Wij lieten de anderen daar dichtbij komen. 26:64
En Wij redden Moesa en wie er met hem waren, allen tezamen. 26:65
Toen lieten Wij de anderen verdrinken. 26:66
Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn geen gelovigen. 26:67
Echter, jouw Heer is de machtige, de barmhartige. 26:68
En lees hun de mededeling over Ibrahiem voor, 26:69
toen hij tot zijn vader en zijn volk zei: "Wat dienen jullie?" 26:70
Zij zeiden: "Wij dienen afgoden en Wij zullen hen blijven dienen." 26:71
Hij zei: "Horen zij jullie als jullie roepen? 26:72
Of zijn zij van nut voor jullie of schaden zij?" 26:73
Zij zeiden: "Welnee, maar wij hebben gemerkt dat onze vaderen al zo deden." 26:74
Hij zei: "Hebben jullie dan wel gezien wat jullie aan het dienen waren? 26:75
Jullie en je verre voorvaders? 26:76
Zij zijn mij tot vijand, maar niet de Heer van de wereldbewoners 26:77
die mij geschapen heeft en mij op het goede pad brengt 26:78
en Hij is het die mij spijzigt en te drinken geeft 26:79
en wanneer ik ziek ben, dan geneest Hij mij 26:80
en Hij is het die mij laat sterven en dan [weer] tot leven brengt 26:81
en Hij is het van wie ik begeer dat Hij mij op de oordeelsdag mijn fout vergeeft. 26:82
Mijn Heer, schenk mij oordeelskracht en voeg mij bij de rechtschapenen. 26:83
En verschaf mij een betrouwbare reputatie bij het nageslacht. 26:84
En maak dat ik behoor tot hen die de tuin van de gelukzaligheid beërven. 26:85
En vergeef mijn vader, hij behoort tot hen die dwalen. 26:86
En maak mij niet te schande op de dag dat zij worden opgewekt. 26:87
Op de dag dat bezit niet baat, noch zonen. 26:88
Behalve wie tot God komt met een zuiver hart." 26:89
En de tuin wordt dicht bij de godvrezenden gebracht. 26:90
En het hellevuur wordt onthuld voor de misleiden. 26:91
En tot hen wordt gezegd: "Waar is het wat jullie gewoon waren te dienen 26:92
in plaats van God? Komen zij jullie helpen of zullen zij zichzelf helpen?" 26:93
En zij zullen erin gekieperd worden, zij en de misleiden 26:94
en de troepen van de duivel, allen tezamen. 26:95
Zij zeggen terwijl zij er met elkaar twisten: 26:96
"Bij God, wij verkeerden wel in duidelijke dwaling 26:97
dat wij jullie vergeleken met de Heer van de wereldbewoners. 26:98
En het waren alleen maar de boosdoeners die ons tot dwaling gebracht hebben. 26:99
En nu hebben wij geen bemiddelaars, 26:100
noch een echte vriend. 26:101
Als er een terugkeer voor ons was dan zouden wij tot de gelovigen behoren." 26:102
Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig. 26:103
Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige. 26:104
Het volk van Noeh betichtte de gezondenen van leugens. 26:105
Toen hun broeder Noeh tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn? 26:106
Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant. 26:107
Vreest dan God en gehoorzaamt mij. 26:108
En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon. 26:109
Vreest dan God en gehoorzaamt mij." * 26:110
Zij zeiden: "Zullen wij jou geloven terwijl jij alleen maar gevolgd wordt door de allerverachtelijksten?" 26:111
Hij zei: "En hoe kan ik weten wat zij gedaan hebben? 26:112
Mijn Heer is belast met de afrekening met hen, als jullie het maar beseffen. 26:113
En ik jaag hen die geloven niet weg. 26:114
Ik ben slechts een duidelijke waarschuwere 26:115
Zij zeiden: "Als jij niet ophoudt, Noeh, dan behoor jij bij hen die gestenigd worden." 26:116
Hij zei: "Mijn Heer, mijn volk beticht mij van leugens. 26:117
Doe dus tussen mij en hen uitspraak en red mij en die gelovigen die met mij zijn." 26:118
Toen redden Wij hem en wie er met hem in het volbeladen schip waren. 26:119
Daarna lieten Wij toen de achtergeblevenen verdrinken. 26:120
Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig. 26:121
Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige. 26:122
De 'Aad betichtten de gezondenen van leugens. 26:123
Toen hun broeder Hoed tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn? 26:124
Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant. 26:125
Vreest dan God en gehoorzaamt mij. 26:126
En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon. 26:127
Willen jullie op elke heuvel voor de grap een teken bouwen 26:128
en bouwwerken maken alsof jullie er altijd zullen blijven? 26:129
En wanneer jullie toeslaan slaan jullie als geweldenaars toe. 26:130
Vreest dan God en gehoorzaamt mij. 26:131
En vreest Hem die jullie heeft versterkt met wat jullie weten. 26:132
Hij heeft jullie versterkt met vee en zonen 26:133
en met tuinen en bronnen. 26:134
Ik vrees voor jullie de bestraffing van een geweldige dag." 26:135
Zij zeiden: "Het maakt ons niet uit of jij ons aanspoort of niet behoort tot hen die aansporen. 26:136
Dit is slechts een gewoonte van hen die er eertijds waren. 26:137
En wij zijn het niet die gestraft worden." 26:138
Toen betichtten zij hem van leugens en vernietigden Wij hen. Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig. 26:139
Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige. 26:140
De Thamoed betichtten de gezondenen van leugens. 26:141
Toen hun broeder Salih tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn? 26:142
Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant. 26:143
Vreest dan God en gehoorzaamt mij. 26:144
En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon. 26:145
Zullen jullie dan in veiligheid gelaten worden in wat er hier is, 26:146
te midden van tuinen en bronnen 26:147
en landbouwgewassen en palmen waarvan de bloeiwijze zacht is? 26:148
En zullen jullie in de bergen vaardig huizen uithouwen? 26:149
Vreest dan God en gehoorzaamt mij. 26:150
En gehoorzaamt niet het bevel van onmatigen, 26:151
die Op de aarde verderf zaaien en die geen orde op zaken stellen." 26:152
Zij zeiden: "Maar jij behoort tot hen die betoverd zijn. 26:153
Jij bent slechts een mens zoals wij. Breng dan een teken, als jij behoort tot hen die gelijk hebben." 26:154
Hij zei: "Dit is een kameelmerrie die haar tijd om te drinken heeft en jullie hebben je tijd om te drinken op een vastgestelde dag. 26:155
En treft haar niet met kwaad, want dan zal de bestraffing van een geweldige dag jullie grijpen." 26:156
Maar zij sneden haar hielpezen door en kregen er 's morgens spijt van. 26:157
Toen greep de bestraffing hen. Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig. 26:158
Echter, jouw Heer is werkelijk de machtige, de barmhartige. 26:159
Het volk van Loet betichtte de gezondenen van leugens. 26:160
Toen hun broeder Loet tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn? 26:161
Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant. 26:162
Vreest dan God en gehoorzaamt mij. 26:163
En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon. 26:164
Zullen jullie tot de mannen onder de wereldbewoners gaan? 26:165
En echtgenotes die God voor jullie geschapen heeft verwaarlozen? Ja zeker, jullie zijn mensen die overtredingen begaan." 26:166
Zij zeiden: "Als jij niet ophoudt, Loet, dan behoor jij bij hen die verdreven worden." 26:167
Hij zei: "Ik behoor tot hen die jullie handelwijze verafschuwen. 26:168
Mijn Heer, red mij en mijn huisgenoten van wat zij doen." 26:169
En Wij redden hem en zijn huisgenoten, allen tezamen, 26:170
behalve een oude vrouw te midden van hen die achterbleven. 26:171
Toen vernietigden Wij de anderen. 26:172
En Wij lieten regen op hen vallen; slecht was die regen voor hen die gewaarschuwd waren. 26:173
Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig. 26:174
Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige. 26:175
De mensen van het kreupelbos betichtten de gezondenen van leugens. 26:176
Toen Sjoe'aib tot hen zei: "Willen jullie niet godvrezend zijn? 26:177
Ik ben voor jullie een betrouwbare gezant. 26:178
Vreest dan God en gehoorzaamt mij. 26:179
En ik vraag jullie daarvoor geen loon. Slechts de Heer van de wereldbewoners is belast met mijn loon. * 26:180
En geeft volle maat en behoort niet tot hen die verlies veroorzaken. 26:181
En weegt met de juiste weegschaal. 26:182
En doet de mensen niet tekort in de dingen die van hen zijn en veroorzaakt geen ellende op de aarde door verderf te zaaien. 26:183
En vreest Hem die zowel jullie als de schepselen die er eertijds waren geschapen heeft." 26:184
Zij zeiden: "Maar jij behoort tot hen die betoverd zijn. 26:185
En jij bent slechts een mens zoals wij en wij denken dat jij behoort tot hen die liegen. 26:186
Laat dan stukken uit de hemel op ons neervallen als jij behoort tot hen die gelijk hebben." 26:187
Hij zei: "Mijn Heer weet het best wat jullie doen." 26:188
Maar zij betichtten hem van leugens. Toen greep hen de bestraffing van de dag van de stapelwolk. Dat was de bestraffing van een geweldige dag. 26:189
Daarin is zeker een teken, maar de meesten van hen zijn niet gelovig. 26:190
Jouw Heer is echter werkelijk de machtige, de barmhartige. 26:191
Dit is een neerzending van de Heer van de wereldbewoners -- 26:192
daarmee is de betrouwbare geest neergedaald 26:193
tot jouw hart, opdat jij tot de waarschuwers zou behoren -- 26:194
in duidelijke Arabische taal. 26:195
En hij staat in de Zoeboer van hen die er eertijds waren. 26:196
Is het dan geen teken voor hen dat de geleerden van de Israëlieten hem kennen? 26:197
Als Wij hem tot een vreemdtalige neergezonden hadden 26:198
en die hem aan hen had voorgelezen, dan hadden zij er niet in geloofd. 26:199
Zo hebben Wij hem in de harten van de boosdoeners laten gaan. 26:200
Zij geloven er niet in totdat zij de pijnlijke bestraffing zien 26:201
die onverwachts tot hen komt, zonder dat zij het beseffen. 26:202
Dan zeggen zij: "Wordt aan ons uitstel verleend?" 26:203
Willen zij dan Onze bestraffing verhaasten? 26:204
Hoe zie jij het dan als Wij hun jarenlang vruchtgebruik hebben gegeven, 26:205
dat dan tot hen komt wat hun was aangezegd? 26:206
Dan baat hun het vruchtgebruik niet dat zij genieten. 26:207
En Wij hebben geen enkele stad vernietigd zonder dat zij waarschuwers had gehad 26:208
ter vermaning; Wij hebben namelijk geen onrecht gepleegd. 26:209
De satans zijn er niet mee neergedaald. 26:210
Het past hun niet en zij kunnen het niet. 26:211
Zij zijn van het horen uitgesloten. 26:212
Roep dus naast God geen andere god aan, anders zul jij tot de bestraften behoren. 26:213
En waarschuw jouw naaste familieleden. 26:214
En wees ontvankelijk voor die gelovigen die jou volgen. 26:215
En als zij aan jou ongehoorzaam zijn zeg dan: "Ik heb niets te maken met wat jullie doen." 26:216
En stel je vertrouwen op de machtige, de barmhartige, 26:217
die jou ziet wanneer jij rechtop staat 26:218
en wanneer jij je heen en weer wendt met hen die zich eerbiedig neerbuigen. 26:219
Hij is de horende, de wetende. 26:220
Zal Ik jullie meedelen tot wie de satans neerdalen? 26:221
Zij dalen neer tot elke zondige lasteraar. 26:222
Dezen luisteren scherp en de meesten van hen zijn leugenaars. 26:223
En de dichters, de misleiden volgen hen. 26:224
Zie jij niet dat zij in elke vallei rondzwerven 26:225
en dat zij zeggen wat zij niet doen? 26:226
Maar niet zij die geloven, de deugdelijke daden doen en God veelvuldig gedenken en die zich verweren nadat hun onrecht is aangedaan. En zij die onrecht plegen zullen te weten komen wat voor omkeer zij zullen meemaken. 26:227