Terug naar de gids
AZTRENDEFRESNLRUITSQBSROKYDA

Waarom worden sommige karakters in de Koran vergeleken met het gedrag van dieren? Kan dit als belediging worden gezien?

In de Koran worden sommige menselijke karakters uitgedrukt door ze te vergelijken met dierlijke karakters. Door atheïsten wordt dit als “ belediging” opgevat en om die reden worden er bepaalde negatieve kritieken geuit. Maar is dit werkelijk zo? Laten we samen de betreffende verzen onderzoeken;

Een van de manieren om menselijk gedrag te begrijpen is het onderzoeken van dierlijk gedrag. Mensen proberen sommige negatieve gedragingen of persoonlijkheidskenmerken te beschrijven door ze te vergelijken met dierlijk gedrag. Deze doeltreffende uitdrukkingsvorm van de mensheid is door de Verheven Allah ook in de Koran gebruikt.

De verzen die uitleggen dat mensen in apen werden veranderd, zullen we behandelen als minderwaardigheidscomplex, streven naar superioriteit en de eigenschap gierigheid, de verzen waarin menselijk gedrag met de ezel wordt vergeleken als onbegrip, onverenigbaarheid van kennis en gedrag en onmatigheid in communicatie, en het vers waarin menselijk gedrag met de hond wordt vergeleken als de onverzadigbaarheid van de mens en de daaruit voortkomende ellende.

Allah heeft in de Koran de mentaliteit bekritiseerd die geen acht slaat op halal en haram, die de geschonken gunsten niet rechtvaardig en gelijk verdeelt en niet deelt. Hen die aan bezit verknocht zijn, hen die zich gedragen alsof ze hun bezit mee naar het graf zullen nemen, hen die met geld macht verzamelen en hegemonie vestigen, hen die zich met geld superieur voordoen, hen die zich op geld en bezit beroemen, hen die denken door geld waardevol te zijn, hen die slaaf van het geld zijn; Hen vergelijkt Hij met hebzuchtige, verachtelijke apen en zwijnen. <!-- editor -->(zie de verzen Al-Baqara 65, Al-A’raf 166, Al-Ma’ida 60)<!-- /editor -->

Alle verboden in de Koran zijn een geestelijke opvoeding, opdat mensen hun ego beheersen. De personen die in de betreffende verzen worden genoemd. kwamen vanwege hun begeerte, inhaligheid en hebzucht maar niet op het rechte pad. De begeerte naar bezit bedierf hun karakter. Hun verstand raakte verduisterd, hun geweten verroestte, hun hart werd zwart. Ze waren in tegenspraak met het woord dat ze hadden gegeven. Als het hun niet uitkwam, konden ze hun sharia (hun recht) vertrappen. Zulke types, die hun verlangens en eetlust niet kunnen beteugelen, raakten er ellendig aan toe doordat ze “met de eetlust van een aap” waren. Want ze gedroegen zich precies als een aap. Ze hadden in niets volharding. Zij waren het zelf ook die de sharia (het recht) als eersten vertrapten ter wille van hun belangen.

Zoals te zien is, heeft het aap-zijn, zwijn-zijn en taghut-zijn te maken met opgaan in wereldse bezittingen, niet weten wat verzadiging is en ook bij een overvloed nog meer willen, met zonde, agressie, het eten van wat haram is en het gebonden zijn van de hand (gierigheid). Zulke hebzuchtige, begerige types zijn dan ook “verachtelijke apen en zwijnen” genoemd. In deze uitdrukking is geen sprake van belediging, maar juist van een doeltreffende uitdrukkingsvorm.

De Koran vergelijkt karakters die slaafs dienen aan een of andere ambtsdrager of aan de rijken, en die de eigenschap vertonen overal hun nap voor op te houden bij alles wat er gezegd wordt; Hij vergelijkt hen met honden die hijgen met hangende tong.(Soera Al-A’raf 176 )

De Profeet zegt tegen de verwende Mekkaanse veelgodendienaars die bezit, rijkdom, kring en invloed hebben: het eigendom behoort aan Allah! Dat wil zeggen dat alles in de natuur het gemeenschappelijk bezit van alle mensen is. Jullie komt alleen een deel toe dat de tegenprestatie voor jullie arbeid is (Soera An-Nisa 32), de rest moeten jullie met de behoeftigen delen en verdelen. Allah zegt ook in Soera Fussilat vers 10 het volgende.

وَجَعَلَ فِيهَا رَوَٰسِىَ مِن فَوْقِهَا وَبَٰرَكَ فِيهَا وَقَدَّرَ فِيهَآ أَقْوَٰتَهَا فِىٓ أَرْبَعَةِ أَيَّامٍ سَوَآءً لِّلسَّآئِلِينَ

Daar (op de aarde) bracht Hij daarbovenop onwrikbare bergen tot stand, schiep Hij daarin zegeningen en bepaalde Hij, GELIJK voor hen die vragen en zoeken, de levensmiddelen daar in vier dagen.

De Mekkaanse veelgodendienaars verlangen van de Profeet een speciale bladzijde van Allah, die alleen voor hen bestemd is (soera Al-Isra 91-93). Ze wenden zich af van de herinneringen en waarschuwingen. Maar wanneer de profeet en zijn metgezellen het onrecht en de onrechtvaardigheden die zij begaan openbaar maken en met het Recht tegenover hen gaan staan, veranderen de zaken, ze kijken alsof ze hen met hun ogen omver willen werpen en ze schrikken terug voor de stevige houding van de gelovigen die “de blaam van de blamer niet vrezen”. Voor dit soort karakters nu gebruikt de Koran ook; De uitdrukking: geschrokken wilde ezels die voor een leeuw vluchten. (Soera Al-Muddaththir verzen 50-51)

Verder worden in de Koran zij die niet handelen naar hun kennis, zij die anderen raad geven en zichzelf vergeten, Vergeleken met ezels die met boeken beladen zijn. (Soera Al-Jumu’a vers 5)

Naast alle kwesties die we in dit artikel hebben genoemd, is het ook zeer veelbetekenend dat de Koran voor de vergelijking van de wederopstanding de uitdrukking “als sprinkhanen” gebruikt.

خُشَّعًا أَبْصَٰرُهُمْ يَخْرُجُونَ مِنَ ٱلْأَجْدَاثِ كَأَنَّهُمْ جَرَادٌ مُّنتَشِرٌ

Allen komen met neergeslagen blikken uit hun graven. Precies als uitzwermende sprinkhanen. (Soera Al-Qamar 7)

De Koran vergelijkt het uit hun graven komen van de mensen op de dag van de wederopstanding met sprinkhanen. Maar waarom met sprinkhanen? Onderzoeken die in de laatste eeuw met microcamera’s en systematische observaties op insecten zijn gedaan, helpen ons te begrijpen waarom sprinkhanen als voorbeeld zijn aangehaald. Sprinkhanen plaatsen hun eieren als zaden in de grond, en sprinkhaanlarven komen, nadat ze lange tijd onder de grond zijn gebleven, aan de oppervlakte. Waarvandaan komen ze? Van onder de grond… Dus sprinkhanen en mensen op vergelijkbare wijze.

In de Koran worden voorbeelden gegeven opdat we er lering uit trekken. Dat we over deze voorbeelden nadenken, zal ons zowel de schoonheid van de voorbeelden die Allah geeft als de betekenissen die met deze voorbeelden bedoeld worden doen begrijpen.

Dit zijn de voorbeelden die wij aan de mensen geven. Maar alleen zij die kennis bezitten, begrijpen ze. (Soera Al-Ankabut 43)
Als dit universum een eigenaar heeft en als we in deze wereld samenleven, dan moeten we ons bewust zijn van onze verantwoordelijkheden tegenover elkaar. Als een vereiste van de menselijkheid moeten we “delen, elkaar helpen, respect en liefde” op de voorgrond stellen. U kunt ervoor kiezen niet in Allah te geloven, maar u kunt uzelf niet superieur achten en u kunt niemand met dierlijke eigenschappen als “gierigheid, hoogmoed...enz.” onderdrukken en onrecht aandoen. In deze wereld is iedereen gelijk.